WELKOM OP MIJN BLOG

Deze blog heeft als doel houtsnijwerk en ornamentiek in de kijker te plaatsen. Een bezoek aan een museum of een kasteel zijn onderwerpen die aan bod komen. Maar deze blog laat jullie ook kennis maken met mijn eigen vakmanschap. Veel leesplezier.

zaterdag 1 januari 2022

Dateren van Laatgotische beelden | Hoe een houten beeld dateren | Gotisch beeld dateren

 

meester van de stenen kop - martelares 1525 Suermondt-Ludwig Museum | Dateren avn laatgotische beelden
Meester van de stenen kop - martelares 1525
Suermondt-Ludwig Museum ( Aken)

Dateren van Laatgotische beelden

Houtsnijden is mijn lust en mijn leven. Ik ben meer ambachtsman dan kunstenaar  en bij gebrek aan fantasie heb ik een inspiratiebron nodig zoals bijvoorbeeld een schilderij of een ander gesculpteerd voorwerp. Toen ik een jaar geleden een foto zag van een recent aangekocht mooi beeldje was ik verkocht: dat beeldje wilde ik namaken. Volgens de beschrijving zou het gaan om een laatmiddeleeuws beeldje, gesneden uit buxushout en voorzien van een inscriptie van de hand van de beeldensnijder.

 

Tijdens het bestuderen van de foto zag ik details die qua beschrijving en datering niet strookten met mijn achtergrondkennis.  Reden voor mij om het proces van dateren van middeleeuwse beelden nader uit te zoeken. Het blijkt dat er globaal 4 onderzoeksmethoden aan te pas komen: 

1. Onderzoek van stilistische kenmerken 

2 dendrochronologisch onderzoek 

3 onderzoek van de gebruikte houtsoorten

4 historisch onderzoek. 

Ik beperk mij tot de West-Europese beeldensnijkunst. Na de inleiding ga ik op deze 4 methoden dieper in.

 

Inleiding

De middeleeuwse beeldhouwkunst is vooral een religieuze kunst. Met beelden van heiligen, daaraan gelijkgestelden en altaarstukken wilde de roomse kerk haar boodschap visualiseren voor de gewone burger die in het algemeen niet kon lezen. De houten beelden waren eenvoudig en zonder enige expressie. Naarmate de renaissance aan invloed wint worden de religieuze voorstellingen realistischer en levendiger. Het resultaat van de laatmiddeleeuwse beeldsnijkunst is een rijkdom aan beelden, retabels[1] en andere religieuze voorstellingen waarvan voor het merendeel onbekend is wie de maker was.

[1] Een retabel is een beeldhouwwerk of schilderij dat achter of op een altaar wordt geplaatst.

Het was in de middeleeuwen niet gebruikelijk voor een schilder, (steen)beeldhouwer of beeldensnijder om hun werk te signeren. Dat we nu weten wie de schilders en beeldhouwers van sommige van die geweldige kunstwerken zijn danken we aan de archieven van hun opdrachtgevers. Zij hielden bij aan wie zij opdracht hadden gegeven om een beeld, altaarstuk of schilderij te maken en legde ook het thema vast. Ook werd bijgehouden wanneer het werk was opgeleverd, de kosten en eventuele bijzonderheden.

Zo is het project “hoofdaltaar van de Nicolaikirche in Kalkar” vanaf ca 1485 uitvoerig beschreven. Zo weten we dat Arnt van Zwolle begonnen is en na diens dood is het altaar afgemaakt door Ludwig Jupan. Het gebruikte eikenhout was Baltisch eiken dat op verschillende tijdstippen in Nijmegen, Kampen en Amsterdam werd gekocht.

 

Waarom is het dateren van een kunstobject zo belangrijk. Gewoon genieten van de schoonheid van een beeld en de fantasie en het vakmanschap van de maker zou voldoende kunnen zijn.

Maar laten we niet vergeten dat een religieus kunstobject, in dit geval een religieus beeld, ook een venster is waardoor men inzicht kan krijgen over het leven van de mensen en hun religieuze belevenis van toen. Het dateren stelt ons ook in staat om maatschappelijke  ontwikkelingen in de tijd te volgen. Daarom is het dateren zo belangrijk.

Halverwege de 16e eeuw is het afgelopen met de religieuze beeldensnijkunst in Noordwest-Europa als gevolg van de godsdiensttwisten door de reformatie en de oorlogen met Spanje. In de Nederlanden wordt bovendien in 1581 de roomse religie verboden.

 

Dateren van laatgotische beelden | Lucas Cranach(II) Agnes von Hayn 1543 Staatsgalerie Stuttgart
Lucas Cranach(II) Agnes von Hayn 1543
Staatsgalerie Stuttgart

Methoden om een object te dateren
 
Dateren op basis van stijlkenmerken

Beelden en altaren uit de late middeleeuwen zijn in het algemeen zeer gedetailleerd en geven daardoor handvatten om te dateren. De algemene aanpak is dat men zoekt naar overeenkomsten in stijl met andere, liefst vergelijkbare, objecten; in dit geval dus beelden. Stijlkenmerken omvatten alle kenmerken waarmee het object aan een bepaalde tijdperiode gekoppeld kan worden en in enkele zeldzame gevallen aan een specifieke beeldensnijder. Stijlkenmerken kunnen zijn een bepaalde gelaatsuitdrukking, de uitwerking van de lichaamshouding of de gedetailleerdheid van kleding.

 

Het zoeken naar stijlovereenkomsten bij verschillende objecten kan wel een gangbare methode zijn, maar is geen wetenschappelijk verantwoorde methode. De criteria zijn niet objectief. Hoeveel en welke stijlkenmerken moeten bijvoorbeeld overeenkomen? Zelfs wanneer de objecten in de zelfde periode gemaakt zijn, dan is er geen zekerheid. Er kan sprake zijn van een vervalsing, immers een (gedeeltelijk) gekopieerd object lijkt op zijn minst zeer sterk op het origineel en heeft derhalve ook kenmerken van het origineel. Maar ook de opdrachtgever voor het maken van een object kan eisen dat aan bepaalde stijlkenmerken wordt voldaan.

 

In de vroege middeleeuwen is de Roomse kerk vrijwel de enige opdrachtgever en zijn de religieuze beelden onderworpen aan de regels van de kerk: de conventie. Met als gevolg dat de beelden weinig expressie en weinig details hebben. De beelden zien er min of meer het zelfde uit omdat de beelden de zelfde boodschap moeten uitbeelden. Het is dan lastig tot een redelijke datering te komen. Vanaf begin 15e eeuw begint de stijl van de beelden te veranderen; lichaamshouding en gezichten worden realistischer en kleding wordt natuurlijker weergegeven. De onbewogen star kijkende zittende Maria met kind op haar knie (Sedes sapientiae, zetel der wijsheid) uit de vroege middeleeuwen transformeerde tot een staande elegante jonge moeder die op een natuurlijke manier haar kind op haar arm heeft.

 

Aan het einde van de late gotiek, eind 15e eeuw, bereiken die beelden hun hoogtepunt van expressie en realistische weergave. Met de familie Bormans in Mechelen, Hendrik Douverman in Kalkar en Jan Borreman in Brussel als zeer prominente beeldensnijders in “onze” streken. Om die nieuwe stijl te kunnen realiseren moet een beeldensnijder zijn werkwijze aanpassen. Hij heeft daarvoor een echt voorbeeld nodig, een menselijk model in de juiste houding met daarbij passende kledij. Voor de praktische uitvoerbaarheid maakte hij een kleimodel van het gezicht en zo nodig de handen van zijn model en gebruikte hij mannekijns, houten poppen, om de kleding realistisch over te draperen.  Een methode die nu nog steeds in gebruik is. Een tweetal voorbeelden. Voor het 7-smarten retabel in de Nicolaikerk in Kalkar nodigde Henrik Douverman vrouwen en mannen uit Kalkar uit om model te staan. Douverman beeldde deze mensen zo realistisch uit dat men zichzelf en elkaar herkende. Het tweede voorbeeld komt uit een artikel over Gotische Buxushouten miniaturen. “And in the background --- a man and a woman witness the mass taking place at the altar ---. While dressed in contemporary Flemish fashion, this is no ordinary couple. It is likely that they represent Henry VIII and Catherine, whose initials are carved ---- on the exterior of the same bead.  (Barbara Drake Boehm).

Deze voorbeelden bevestigen dat laatmiddeleeuwse beeldensnijders (en ook kunstschilders) de mensen weergaven in de kleding zoals die in die tijd werd gedragen. Al doet het wel een beetje vreemd aan om Romeinse soldaten bij de kruisiging te zien in het tenue en met de wapens van de middeleeuwen. Schilders uit de middeleeuwen zoals de Vlaamse primitieven,

Lucas Cranach, Pieter Breughel en de renaissance schilders waren zo vriendelijk kleding zeer gedetailleerd weer te geven en schiepen daarmee onbewust een kledingdatabank.

 

Dateren van Laatgotische beelden | Hoe een houten beeld dateren.

Margaretha van Eyck 1439 geschilderd door Jan


Kleding en eventuele attributen zijn objectieve kenmerken waaraan een objectieve datering kan worden gekoppeld. Weliswaar kan de datering soms alleen in termen zoals vroeg, midden of laat-xyz- eeuw geduid worden, maar het is in ieder geval een objectieve datering. Een nadeel van de realistische weergave is dat als verschillende beelden de zelfde houding hebben de kleding vergelijkbare plooien krijgt hetgeen verwarring kan oproepen.  Latere decoratieve toevoegingen of wijzigingen kunnen wijzen naar een andere stijlperiode dan het beeld oorspronkelijk had. Van Pierre Cuypers is bekend dat hij meerdere middeleeuwse beelden heeft aangepast en versieringen toegevoegd heeft om die beelden zijn neogotisch aanzien te geven.


Dateren van Laatgotische beelden | Hoe een houten beeld dateren.
St Ursula, meester van Elsloo, ca 1530. V&A museum.
Kleding volgens de mode van 1520-1540.
 Deze kleding komt veel voor bij beelden uit het Maas-Rijn-gebied.
Bron: V&A museum

 

Sommige beeldensnijders zoals de laatmiddeleeuwse Duitse beeldensnijder Niclaus Weckmann en “onze” Pierre Cuypers maakten ook wel gispafdrukken van hun kleimodellen van hoofden en gebruikten die gipsafdrukken om andere beelden te vorm te geven. Op die manier krijgen hun beelden ten dele de zelfde kenmerken. Men kan later wel vaststellen dat die bepaalde groep beelden door de zelfde beeldensnijder werden gemaakt. Echter, om er de beeldensnijder bij te vinden is nog steeds meer informatie nodig.

 

Een zinvollere optie om een beeldensnijder te identificeren is te kijken hoe het thema voor het kunstwerk is uitgewerkt. Voor een enkele figuur is er weinig vrijheid in de vormgeving, maar bij een beeldengroep of een retabel is er juist veel speelruimte om het thema uit te werken en daar kan een beeldensnijder een eigen stijl ontwikkelen. Dus om te achterhalen wie een bepaald kunstwerk maakte is een speciale aanpak nodig.

 

Dateren met dendrochronologisch onderzoek of een C14-meting

Sommige houtsoorten zoals eiken laten zich goed dateren met dendrochronologisch onderzoek.. Bij dendrochronologisch onderzoek worden de jaarringen opgemeten en vergeleken een standaard jaarringenkalender van de houtsoort. Dit geeft de vermoedelijke kapdatum met grote nauwkeurigheid. Zelfs zeer nauwkeurig als er spinthoutresten  aanwezig zijn. Bij het ontbreken van de buitenste jaarringen zoals bij de meeste beelden kan men de kapdatum grof schatten. Is de kapdatum bekend dan is een vroegste snijdatum redelijk te bepalen ervan uitgaande dat het beeld vrij snel na het kappen werd gesneden. En dat behoeft niet altijd het geval te zijn. Bij de restauratie van een 17e-eeuws meubel werd bij voorbeeld ontdekt dat in de originele constructie ook hout was gebruikt dat 25 jaar eerder was gekapt. Hoewel dit voorbeeld een andere situatie betreft, laat het zien dat nog bruikbare stukken hout niet gelijk in de kachel belandden. Een stuk boomstam kan rustig 10 jaar onder water bewaard worden mits het water regelmatig wordt ververst.

Dankzij het gebruik van eiken voor huizen en kerken waarvan de bouwgeschiedenis bekend is kon men voor eiken betrouwbare jaarringenkalenders (referentietabellen) opstellen. Het toeval wil dat veel middeleeuwse beelden van eiken gesneden zijn waarvoor veel informatie voor de datering van deze beelden beschikbaar is.

 

Dateren van Gotische beelden | Leuven Sint-Pieterskerk Maria sedes sapienstiae
 Leuven Sint-Pieterskerk Maria sedes sapienstiae


Een andere methode is de C14-methode die berust op het verschijnsel dat bomen uit de lucht radioactieve koolstof C14 opnemen. Zodra de boom gekapt is neemt de hoeveelheid radioactieve C14 in de boom af. Door de verhouding van radioactieve C14 tot de gewone koolstof van de boom met de verhouding van de C14 en de gewone koolstoffen in de atmosfeer te vergelijken kan berekend worden wanneer de boom ongeveer geveld werd. De C14-methode is minder nauwkeurig dan de dendrochronologische methode. C14-methode is nauwelijks toepasbaar voor kunstwerken omdat het houtmonster dat van het kunstwerk moet worden genomen hierbij verloren gaat. Ook zijn conservators meestal tegen het opzettelijk beschadigen van een kunstwerk. Ook dendrochronologisch onderzoek heeft zijn beperkingen. Soms is het mogelijk een goed monster uit de sokkel te nemen of een jaarringenpatroon te zien. Echter meestal is het aantal jaarringen te gering. Het is dan wel mogelijk om vast te stellen dat de boom in jaar xyz nog groeide maar niet wanneer de boom werd gekapt. Dat maakt een datering moeilijk.

 

Voor  een groot aantal regio’s heeft men regionale jaarringkalenders ontwikkeld. Vooral voor eikenhout. Dendrochronologisch onderzoek levert dan ook de regio waar de boom groeide op. Kent men de regio en de mogelijke kapdatum dan is een beeldensnijder wat eenvoudiger te traceren zou je denken. Helaas, niet dus. In de 11e-13e eeuw werden veel bossen gekapt om er landbouwgrond van te maken. Ook voor scheepsbouw en huizenbouw werd in geheel Europa in de middeleeuwen en daarna op grote schaal eik gekapt. Weliswaar werd er aan bosbeheer gedaan, maar zwaar onvoldoende om aan de vraag te voldoen. Er werd daarom veel eiken ingevoerd uit de Baltische streken, met name uit Polen en Pruisen. Kon een beeldensnijder in sommige regio’s met enige regelmaat nog een geschikte eikenboom uit de eigen regio kopen, in andere regio’s was hij volledig afhankelijk van de houthandel. Het niet kunnen beschikken over inlands eiken was overigens geen ramp. Baltisch eiken is fijn van nerf en het wagenschot[2] is uitermate geschikt voor houtsnijwerk en derhalve geliefd bij de beeldensnijders. Weliswaar kan met dendrochronologisch onderzoek de mogelijke kapdatum en de groeiplaats van het Baltische hout bepaald worden, Echter,  het levert geen informatie over de woonplaats van een beeldensnijder in onze streken.

[2] Eiken planken van kwartiers gekloofd eikenhout wordt wagenschot genoemd

Hoe belangrijk Baltisch hout voor de Nederlanden was laat een studie van Jansma zien. Jansma[3] concludeert na een bescheiden onderzoek van meubels, beelden en schilderijen dat Nederlandse kunstenaars en meubelmakers voor ca 1600 hoofdzakelijk Baltische eik gebruikten. Na 1600 werd langzamerhand overgeschakeld naar eiken uit Zuid- en Midden- Duitsland omdat de Engelsen de handel van Nederland met de Oostzeelanden hinderden om met hun Navigation Acts in 1651 en 1660 de Oostzeehandel geheel onmogelijk te maken. Voor beeldensnijders in de Nederlanden maakt het allemaal niets meer uit. Vanaf het midden van de 16e eeuw  komt door de godsdienstongeregeldheden en de oorlogen met Spanje de productie van religieuze beelden en altaren stil te liggen. Het is het einde van een periode waarin uiterst bekwame beeldensnijders prachtige beelden en altaren gemaakt hebben waarvan men vaak niet precies weet wie het heeft gesneden.

 [3] Jansma, Hanraets en Vernimmen; Tree-ring research on Dutch and Flemish art and furniture.

De gilden waren in de middeleeuwen heel sterk en beleidsbepalend. Zo kon een gilde bepalen hoeveel hout een beeldensnijder op voorraad mocht hebben of dat een beeldensnijder geen hele stam mocht kopen maar dat hij een stam met een collega-beeldensnijder moest delen. Dat heeft duidelijk gevolgen voor het identificeren van een beeldensnijder. Bij onderzoek naar beelden van de Elsloo-groep in 2013[4] werden de onderzoekers een paar maal met deze situatie geconfronteerd. Om een goede conclusie te kunnen trekken omtrent de betrokken beeldensnijders is kennis over de lokale houthandel onontbeerlijk.

[4] Peters, Famke, 'A Masterly Hand, Interdisciplinary Research on the late Late-Medieval Sculptor(s) Master of Elsloo in an International Perspective' , Brussels, 2013

Een houtsoort met eigenschappen die haast tegenovergesteld zijn aan de eigenschappen van eiken is de buxus sempervirens. Buxus is een harde houtsoort met een zeer fijne structuur waardoor kleine fijne details gesneden kunnen worden. Een ideaal materiaal derhalve. In Frankrijk en Zuid-Europa werd in de middeleeuwen buxushout  gebruikt voor kleine beelden, kleine altaarstukken en luxe gebruiksvoorwerpen. Deze voorwerpen waren bedoeld voor persoonlijk gebruik en ook zeer kostbaar. Een groot nadeel van buxus is de geringe stamdikte waardoor er alleen maar kleine beelden uit een stuk gesneden kunnen worden.

Een ander nadeel van buxus is dat het moeilijk te dateren is. De jaarringen van buxus zijn zeer dun en daardoor lastig goed vast te stellen. Daar komt nog eens bij dat er zeer weinig objecten van buxus zijn waarvan de maakdatum of aankoopdatum vrij exact bekend is en dat maakt het opstellen van een jaarringenkalender lastig. Dendrochronologisch gezien min of meer een ramp. In enkele gevallen is bekend wie een buxushouten object in bezit heeft gehad zoals Margaretha van Bourgondië, de moeder van Jacoba van Beieren. Een alternatieve manier is de C14-methode,waarvoor echter materiaal van het voorwerp worden weggenomen.

Voor zover deze pareltjes van buxus in Nederland voorkomen, ligt het voor de hand om aan te nemen dat de beeldjes en zak-/reisaltaren gesculpteerd werden ingevoerd. Een uitzondering vormen de bekende gebedsnoten van buxus uit de periode 1600-1650 waarvan men aanneemt dat zij door Adam Dircksz zijn gemaakt. Men vermoedt dat Adam Dircksz in de Zuiderlijke Nederlanden en/of in de omgeving van Delft heeft gewerkt. Het Rijksmuseum heeft recent een buxushouten  calvariebeeld van Claus Sluter aangekocht. Men neemt aan dat deze Hollandse beeldhouwer  het werk heeft gemaakte in de periode dat Sluter in Dijon werkte.

De vraag waarom er geen buxus in de middeleeuwen in de Nederlanden werd gebruikt is betrekkelijk eenvoudig te beantwoorden: buxus was gewoonweg hier moeilijk verkrijgbaar.

Bij opgravingen heeft men geen aanwijzingen gevonden dat er in de Middeleeuwen hier buxus groeide. Men gaat er van uit dat buxus in de Nederlanden werd aangeplant nadat men tijdens de barok in Versailles buxusheggen voor perkafscheidingen heeft aangeplant.

Ook voor deze kleine beeldjes is toch een redelijke stamdikte nodig en zelfs in Frankrijk en Zuid-Europa zijn “dikke” buxusbomen spaarzaam. Met andere woorden, een zeer bescheiden voorraad en nog bescheidener marktaanbod. Om dat mooie hout te kunnen gebruiken moet een beeldensnijder allereerst weten dat er buxus bestaat. En dat kan hij alleen weten als hij ooit een snijwerk uit buxus gezien heeft ergens in een paleis of bij een andere houtsnijder elders. Vervolgens moet hij zijn houtleverancier laten weten dat hij een buxusstam nodig heeft met een bepaalde diameter. De houthandelaar op zijn beurt moet zijn leveranciers inlichten, enz. Om kort te gaan, een man als Adam Dircks kon het lukken omdat hij dicht bij een havenstad gewoond zou hebben of eigen kanalen had en anders wordt het toeval dat een willekeurige beeldensnijder ergens in den lande buxushout in handen krijgt.

 

Dateren van laatgotische beelden | Johannes de doper Steffeswert St. Johannes in disco
Johannes de doper Steffeswert
St. Johannes in disco


Identificeren door middel van merktekens, werkbanksporen en inscripties

Zelfs wanneer men een goede schatting heeft van de datering van het beeld en de groeiplaats van de boom dan nog is het identificeren van de beeldensnijder niet gemakkelijk.

Een van de hulpmiddelen om de bijbehorende beeldensnijder te vinden is te kijken of er speciale merktekens of werkbanksporen op het beeld aanwezig zijn. Met werkbanksporen bedoelt men meestal gaten die in het houtblok zijn gemaakt om het blok in te klemmen in een snijbank. Indien deze werkbanksporen overeenkomen met de sporen op een ander beeld dan leidt dat steevast tot de conclusie dat beide beelden uit de zelfde werkplaats komen.


Werkbanksporen

De reden om naar werkbanksporen te zoeken is denkelijk terug te voeren tot 1923. De Duitse kunsthistorici  Hans Huth [5] en Hubert Wilm [6] publiceerden toen ieder een boek waarin zij vermeldden dat beeldensnijders speciale snijbanken gebruikten. Helaas zonder bronvermelding. Wilm stelt dat een beeld zijn vorm moet worden gegeven in de zelfde stand als waarin het wordt ten toon gesteld en dat in die stand moet worden gekeken of het resultaat correct is. Dus bij een normaal beeld is dat rechtop. Wij mensen zijn door onze ervaringen visueel en tactiel uitermate geoefend om staande vormen en lijnen te beoordelen op hun verloop en we weten ook uit ervaring dat voor een juist beoordeling en goede werkhouding je dan recht voor het beeld moet staan.

[5] Hans Huth: Künstler und Werkstatt der Spätgotik 

[6] Hubert WilmDie gotische Holzfigur : ihr Wesen und ihre Technik

Wilm gaat uit van een verticale opstelling om het beeld vorm te geven en een horizontale bank om de fijnere details te kunnen snijden. Om het houtblok in de werkbanken vast te zetten werden dan puntige ijzeren staven in voorgeboorde gaten in het hoofd en het voetstuk gestoken.

 

Beide auteurs geven aan dat de ijzeren staven het mogelijk maken om het houtblok rond te draaien, hetgeen een voordeel zou zijn. Het heeft mijns inziens als nadeel dat het beeld niet stevig genoeg vastgezet kan worden om veilig en stabiel te kunnen werken. De diameters en de diepten van de gaten lijken daarvoor te gering. Om een beeld van 25-30 kg uit een horizontale snijbank steeds rechtop te moeten zetten om het effect van iedere bewerking te controleren en weer terug in te spannen is uitermate onpraktisch, vermoeiend en tijdrovend. Met andere woorden, een horizontale bank zal nauwelijks of niet gebruikt zijn.

 

Wilm’s idee over snijbanken is door opeenvolgende generaties auteurs zo vaak overgenomen dat  de oorspronkelijke context verloren is gegaan en men er nu van uit gaat dat een beeld in zijn geheel op een horizontale snijbank werd gesneden waarvoor de werkbanksporen het bewijs zouden vormen. Op de minst praktische en meest onhandige werkopstelling die denkbaar is zoals ondergetekende persoonlijk heeft mogen ervaren bij het maken van een kapiteel.

De gedachte dat beelden met vergelijkbare inklemsporen op de zelfde werkbank zijn gemaakt lijkt logisch. Echter de werkopstelling moet in de eerste plaats wel een werkbare opstelling zijn en daarvan is nauwelijks sprake en gelijksoortige inklemsporen zijn geen garantie dat ze van een en de zelfde werkbank stammen. Misschien zeggen ze iets over de smid.

 

Er is gelukkig ook goed nieuws. Degene die het meeste profiteert van een draaibaar horizontaal ingespannen beeld is de decorateur/vergulder ook wel stoffeerder genoemd. Met haar/zijn kwasten kan men overal bij zonder de nog verse verf te moeten aanraken of om te vergulden zoals op onderstaande houtsnede van Marcia Varronis uit 1473 te zien is. Het ziet er dan ook naar uit dat Wilm en mogelijk ook Huth de werkopstelling van de decorateur hebben aangezien als snijbank van een beeldensnijder. De hamer op de houtsnede is niet bedoeld om op een snijbeitel te kloppen maar om de bevestiging met de ijzers vast te slaan.

 

Dateren van Laatgotische beelden | Hoe een houten beeld dateren.

 

Als bewijs voor de eerder genoemde snijbanken refereert men wel aan de “Kinder des Merkur”, een reeks geschriften uit het einde van de 15e eeuw waarin vele ambachten worden uitgebeeld. Echter men vergeet daarbij dat die geschriften een verzameling van karikaturen, spotprenten is met een grote knipoog naar de werkelijkheid en dat die afbeeldingen voor niet-deskundigen niet herkenbaar zijn als niet waarheidsgetrouw. De ultieme test voor de aanhangers van de werkbanksporentheorie zou zijn om op zo’n afgebeelde werkbank met een vergelijkbare krachtsinspanning zelf een beeld te hakken.

 

Dateren van Laatgotische beelden | Hoe een houten beeld dateren.
Kinder des Merkur ca 1475

Andere merktekens

In steden zoals Antwerpen en Brussel stelde het gilde of het stadsbestuur kwaliteitseisen aan het hout waarvan de beelden, retabels en retabelkasten werden gemaakt. Als het hout geschikt werd bevonden werd er een stempel opgezet. Voor Brussel een hamertje en voor (h)Antwerpen een handje. Een dergelijk stempel had uitsluitend betrekking op de kwaliteit van het gebruikte hout en niet op de (artistieke) uitvoering van het kunstwerk. Maar ondanks het stad-/gildestempel weten we nog niet wie de beeldensnijder was, immers een gilde bestaat uit meerdere leden.

 

Het ultieme merkteken is een beeldmerk, inscriptie of de naam van de beeldensnijder; kortom  zijn signatuur. In de late gotiek is er een enkeling die zijn werk voorziet van een persoonlijk kenmerk zoals Albrecht Dürer en de beeldensnijder Jan van Steffeswerd. Opmerkelijk is dat de zilversmeden in de Nederlanden dan al veel eerder door hun gilden verplicht waren om hun werkstukken te voorzien van een meesterteken. Ter voorkoming van misbruik of bedrog?

 

Einde 15e eeuw beginnen enkele kunstenaars hun werk te voorzien van een signatuur. Zo gebruikt Albrecht Dürer een monogram met de letters AD en Jan van Steffeswerd zet soms zijn gehele naam, dan weer alleen maar Jan en/of een meesterteken, duidelijk zichtbaar op zijn beelden. Dürer gebruikte zijn monogram vooral om diens auteurschap vast te leggen van zijn gravures en houtsneden. Dürer heeft profijt van zijn monogram, want in 1506 voert hij met succes een proces tegen een vervalser van zijn gravures.

 

Dateren met de historie van het object

De provenance of de historie van een (kunst)object is alles wat is vastgelegd in documenten en andere registraties over dat object. Niet alleen de herkomst, de naam van de maker maar ook feiten zoals wie waren de eigenaren, is het object op tentoonstellingen te zien geweest, is het ooit geveild? Een bepaalde historie kan een garantie zijn voor de kwaliteit, de echtheid en ouderdom.

 

Sommige religieuze beelden en retabels hebben een kleurrijke (beschreven) historie, zoals het altaar in Kalkar, terwijl men bij andere beelden en retabels, even schitterend, niet verder komt dan een opmerking in de trant van “het stond er al toen …”.

Bij de godsdiensttwisten en de vele oorlogen zijn veel documenten verloren gegaan. En niet te vergeten de Napoleontische tijd waarin klooster en kerken werden gesloten en in gebruik kwamen als onderkomens voor de soldaten en hun paarden.

 

Het koppelen van een naam van een beeldensnijder aan een bepaald beeld zonder dat diens signatuur er op staat is zonder kennis van de historie van het beeld eigenlijk onmogelijk. Het gebruiken van stijlkenmerken is op zijn zachtst gezegd niet voldoende. Als ik een beeld kopieer dan heeft die kopie in ieder geval ten dele de zelfde stijlkenmerken. Er is geen garantie dat hout uit de omgeving werd gebruikt voor lokale beelden. Voor het hoofdaltaar van de Nicolaikirche in Kalkar had men de hertog van Kleef gevraagd om hiervoor enkele bomen uit diens bossen rond Kalkar beschikbaar te stellen. Betere datering kan je niet hebben. Echter om allerlei redenen werd het retabel uit Baltisch eiken gemaakt door Arnt van Zwolle.

Zelfs als een beeldje gesneden is uit een boom die groeide in een regio waar een beeldensnijder werkte, dan nog is er geen zekerheid dat deze beeldensnijder het beeldje sneed vanwege de houthandel ging het hout overal naar toe.

 

Dendrochronologisch onderzoek en een  C14-bepaling kunnen wel indiceren in welke periode het hout voor een object werd gekapt, maar niet wanneer het object daadwerkelijk werd gemaakt. Immers, men kan hout uit vroegere tijden dat afkomstig is van gesloopte huizen kopen. Een berucht voorbeeld hiervan is een set stoelen dat in 2009 verkocht werd  aan het Palais van Versailles door een wereldbefaamde antiekhandelaar. Ondanks de juiste stijl, de zelfde fabricagetechniek en het juiste oude hout kwam het bedrog aan het licht omdat een andere antiekhandelaar ontdekte dat er meer stoelen waren dan er officieel bestonden. De provenance gaf de genadeklap aan de vervalsing.

 

Alleen met een datering en een relevante provenance kan met gepaste (on)zekerheid de naam van de beeldensnijder worden ontdekt. Zo niet dan is terughoudendheid geboden. Het kunnen toevoegen van een mooi beeld aan de museumcollectie maakt iedereen gelukkig; het museum met de aanwinst, de ontdekker en zijn team die een wapenfeit kunnen bijschrijven en het publiek dat met eigen ogen kan zien of het beeld het aankoopbedrag waard is.

 

Dateren met nabootsingen

Nabootsingen zijn er in vele varianten. Wilm besteedt in zijn boek veel aandacht aan nabootsingen en vervalsingen van beelden. Ik licht uit zijn boek de volgende opmerking uit. “De meeste vervalsingen, ook al zijn ze technisch perfect uitgevoerd zullen ergens wel stilistische gebreken hebben. Daardoor zijn ze herkenbaar als vervalsingen (1). Slechts een zeer klein aantal mensen zou door ervaring en kennis een perfecte vervalsing kunnen maken en dan is er wel degelijk een probleem.” (1) Ik voeg hieraan toe “voor ter zake deskundigen”. In het speciale geval dat een oude nabootsing gedateerd kan worden dat kan het meehelpen om een origineel object te dateren. Het “neogotiseren ” van beelden door Cuypers beschouwt Wilms als vervalsen. Waarvan akte.

 

Bovengenoemde methoden toegepast op mijn “beeld met onduidelijke datering”

Ik begon er mee dat ik mijn twijfels heb over de datering en de toeschrijving aan een bepaalde beeldensnijder van een beeldje. Ik had alleen de beschikking over foto’s  en daardoor heb ik alleen kunnen onderzoeken op stijlkenmerken en de signatuur op de foto’s. Voor de leesbaarheid zal ik de geduide beeldensnijder Jan van Echt noemen.

 

Op grond van gevonden stijlkenmerken is Van Echt niet de beeldensnijder van het beeldje. Meer specifiek, enkele stijlkenmerken duiden op een periode na het overlijden van Van Echt.

 

Van Echt zet zijn signatuur breeduit in het volle zicht van de toeschouwer zodat zijn signatuur ook zichtbaar is in geval het beeld hoog opgesteld wordt. Hij laat zien dat hij trots op zijn werk is en iedereen mag weten dat hij, Van Echt, het gemaakt heeft. Het doet dan ook vreemd aan om een beeldje te zien waarop het merkteken van Jan van Echt, de letters IAN,  verscholen in een mantelplooi bij de zoom buiten het directe zicht werd ingekerfd.  De vraag die onmiddellijk bij mij opkwam was “waarom heeft Van Echt zijn signatuur op een dergelijke afgelegen plaats gezet”. Schaamde deze fiere beeldensnijder zich nu voor zijn werkstuk. Ik zou het in zo’n geval dan niet markeren. Maar de beeldensnijder behoeft zich absoluut niet te schamen over zijn werkstuk in kwalitatieve zin en in artistieke zin. Er moet dus een andere reden zijn om de signatuur uit het zicht te plaatsen.

Dus uit de stijlkenmerken en de plaats van de signatuur stel ik vast dat Van Echt niet de maker van het beeldje is. Als interessante toegift blijkt bovendien dat de werkelijke beeldensnijder niet de persoon is die de inscriptie heeft ingekerfd. Hoe ik dat heb ontdekt laat ik hier buiten beschouwing.

 

Op het betreffende beeldje staat ook de inscriptie van Albrecht Dürer. Zeer waarschijnlijk aangebracht na het inkerven van de inscriptie IAN omdat men de inscriptie IAN niet had ontdekt. Eerst het logo van Dürer en daarna van Van Echt is niet logisch. Het logo van Dürer had mogelijk tot doel om de waarde van het beeldje te doen stijgen. Dat is hier vergeefse moeite want Dürer heeft geen beelden gemaakt. Bovendien is het misbruik algemeen bekend. Het aantreffen van een logo van Dürer is reden op zich om argwanend te zijn.

 

Mijn beperkt onderzoek naar de datering en de naam van de beeldensnijder van het beeldje heeft mijn mening omtrent datering en beeldensnijder kunnen bevestigen. Wilm heeft gelijk met zijn opmerking over  stilistische gebreken. Ik zal hier niet ingaan op de feiten die mij tot mijn conclusies brachten. Het is duidelijk dat het daterings- en het identificatieprobleem nog niet zijn opgelost.

 

Mijn dank gaat uit naar het Bonnefantenmuseum dat mij inspireerde tot het schrijven van dit artikel en aan alle deskundigen die mij welwillend hebben bijgestaan met hun expertise.

 

W.J. van Dort

Echt, 14-12-2021

vrijdag 24 december 2021

Leven zonder een GSM of mobiel | Echt vrij zijn kan enkel zonder mobiel | De tijd vliegt snel, gebruik hem wel.

Het leven zonder een GSM of mobiel |  Echt vrij zijn en dit zonder mobiel.

Persoonlijk kreeg ik steeds meer de drang om een blogitem te publiceren over hoe het is te leven zonder mobiel of GSM, ik was de afgelopen jaren reeds met het idee aan het spelen om hierover iets te publiceren.

Het leven zonder een GSM of mobiel | 

Echt vrij kan enkel zonder mobiel.

2021. Op het internet kan ik nergens info of een publicatie vinden over mensen die helemaal geen mobiel bezitten. Een jaar of 15 geleden nog wel. Ben ik nu echt één van de laatste personen in de lage landen die helemaal geen Mobiel of GSM heeft of word er niets online over dit onderwerp gepubliceerd?  Ik schrijf er nu over om mijn ervaringen en gevoelens met mobiele telefonie kenbaar te maken..

( Hou er rekening mee bij het lezen van dit artikel, dat het bezitten van een mobiel een persoonlijke keuze is en geen vingerwijzen is, ik heb respect voor ieder zijn keuze)

Hoe het begon.

Tja, hoe moet ik beginnen, 54 jaar ( 2021) heb een succesvolle zaak, heb wereldwijd +/- bekendheid in mijn sector. Ik ben op elk niveau met sociale media bezig, Facebook, Instagram, Twitter.... heb verschillende blogs en websites en ga dus zeker met de tijd mee.  Ik gebruik deze virtuele middelen enkel om mijn werk te promoten. Toch heb ik nog nooit een mobiel of GSM gehad. Misschien is dit voor vele mensen onbegrijpelijk of zelfs beangstigend maar voor mij is het gewoon een dagelijkse realiteit geworden, een realiteit waar ik helemaal niet meer bij stil sta. 

Ik vraag me soms af hoe ik tot nu toe heb kunnen overleven, in een wereld waar mensen steeds meer online of verplicht bereikbaar moeten zijn? Als ik nu 30 jaar terug in de tijd ga, best eigenaardig.

Ik weet nog op café, dit moet zo ongeveer in 1995 zijn geweest, dat sommige van mijn tijdsgenoten een mobiel kregen van hun gefortuneerde ouders.  Deze "rijkelui kindjes" ( dialect "de dikke nekken") zoals ze genoemd werden, na wat alcohol verbruik, telefoneerden dan in het café naar de waard om de bestelling door te geven; , puur om op te scheppen. Jongens wat was dit lachen, of ze lieten zich op restaurant of café telefoneren om aan te tonen hoe belangrijk ze waren. Op dat moment diende het ding enkel om op te vallen

De andere 99% op café had geen mobiel, hadden die ook niet nodig. Een mobiel was gewoon een pakken geld kostend stuk speelgoed en dan spreek ik nog niet over de kostprijs om een gesprek te voeren via een mobiel, het was een aderlating.

Op  dat moment spraken mensen gewoon met elkaar op café, maakte duidelijke afspraken, vertelde grapjes, genoten van het moment, etc.... de afleiding van een mobiel bestond niet.


Patrick Damiaens | Leven zonder een GSM of mobiel | echt vrij zijn zonder mobiel

Van kwaad naar erger

Na dit commerciële debuut van de GSM/mobiel, hebben Motorola, Nokia, Ericsson, Samsung.... gouden tijden gekend, op een bepaald moment was het zelfs hip en trendy om een zo klein mogelijke GSM te bezitten, je moest ze met drie vingers vasthouden en kon er in op café groots mee uitpakken, de laatste nieuwe Nokia te bezitten was het gespreksonderwerp.  En zo is de groep GSM eigenaren op zeer korte tijd snel groter geworden, de aankoop ervan en het telefoneren steeds goedkoper.

Waarschijnlijk zal ik wel op een bepaald moment hebben gezegd tegen vriend en familie, ik wacht nog even, "even de kat uit de boom kijken" voordat ik er zelf een koop, "maar ik weet nog niet welke". Omdat de verschillende types van mobieltjes zo snel na elkaar op de markt kwamen, heb ik mijn aankoop van het jaar steeds maar uitgesteld, om toch maar niet de verkeerde of beter gezegd de achterhaalde aankoop te doen.

En door dit afwachten en aftasten is het er gewoon niet meer van gekomen die belangrijke aankoop, en uiteindelijk was de hype, het hippe "om een mobiel te hebben" gewoon voorbij en  kwam al snel de reflex van velen: je hebt toch nooit rust met dat ding, overal maar kunnen gebeld worden, maar deden gewoon verder.

Anno 2021 herhaalt zich dit met de smartphone maar vele malen versterkt. Wat ik wel merk is dat steeds meer mensen en vrienden minder met elkaar aan het praten waren, maar meer SMS  berichtjes naar elkaar verstuurde.

Leven zonder een GSM of mobiel |  Echt vrij zijn kan enkel zonder mobiel | De tijd vliegt snel, gebruik hem wel.


Smartphone ( De veegtelefoon)

En toen kwam er de smartphone, eerst een Blackberry en later de Apple smartphone (+/- 2005) een afleiding met steeds meer toeters en bellen en pokkeduur. De beginfase marketting was puur om mobiele telefoons te verkopen, onder het motto "bereikbaarheid" en later marketting onder het mom van “sociaal communiceren”, om op deze wijze zo veel mogelijk advertenties te verspreiden.

En 15 jaar later (2021) is ook deze periode "de juiste keuze maken van smartphone" ook aan me voorbij gegaan, onbegrijpelijk hoe dit apparaat aan mijn aandacht voorbij gegaan is, waarschijnlijk moet ik geslapen hebben of was ik zo met mijn ambachtelijke werkzaamheden en echte belangrijke dingen bezig dat ik gewoonweg niet gemerkt heb hoe dit "onmisbaar" mobieltje langzamerhand de bovenhand kreeg in onze samenleving.

Grappig detail eigenlijk is dat het nu (2021) hip en belangrijk is om een zo groot mogelijke smartphone te bezitten, en liefst nog custom made. Hoe tijden toch kunnen veranderen, ik sta nog steeds aan de zijlijn; ik kijk, observeer en lach.

Door deze indirecte aanpak heb ik geleerd dat ik mijn leven niet wil laten leiden door een apparaat dat mij constant stimuleert met allerhande onderwerpen zoals religie, eten, drinken, denken, kopen, ik moet niet 24/24 bereikbaar zijn en innerlijke rust en de vrijheid in mijn hoofd is onbetaalbaar, een vrijheid in het nemen van spontane beslissingen zonder de virtuele manipulatie. Ik beschouw een smartphone zelfs als een obstructie, een belemmering om zelf beslissingen te nemen of creatief te zijn.

Ik betrap me zelf geregeld op de huis-PC dat ik reeds een aantal uren naar YouTube filmpjes aan het kijken ben, zappend van het ene naar het andere “interessante” onderwerp . 

En voor dat je het weet is de dag voorbij. Zo interessant en perfect gebracht zijn sommige van deze onderwerpen, maar schenkt  kijken je ook echte voldoening? Of hou je er andere gevoelens aan over, de gemiste kansen en keuzes, misschien wel eerder jaloezie of gevoel van leegte, het gevoel dat je iets misloopt in het leven.


Patrick Damiaens | Leven zonder een GSM of mobiel | echt vrij zijn zonder mobiel


Sociale media "Brood en spelen"

Sociale media zijn de moderne "brood en spelen" geworden, een soort van virtuele afleiding zodat de bevolking zich niet meer bezig houdt met de echte belangrijke zaken, het draait trouwens allemaal om altijd en overal een goed gevoel te hebben en de sociale media spelen hier een zeer grote rol.

Social media is voor het grootste deel gewoon "bagger", vluchtige cultuur, het geven van meningen en reageren op berichten, energie dat tot niets leidt, mensen die uren, elke dag, week, maand, jaar(en) hun meningen en frustraties moeten online zetten en deze virtuele vluchtigheid ook zo nodig moeten delen.  Alles onder het motto “vrijheid van meningsuiting”.

Alles delen met iedereen, het laten zien hoe goed je het wel hebt om weeral op reis te zijn, met vrienden gaan eten, nieuwe auto, flashy kledij, enz… en dan maar klagen dat de privacy gestoord is, want op alles wat gepost wordt moet er bijna verplicht gereageerd worden, ook het verzamelen van zoveel mogelijk “likes” is voor velen een sport geworden, een zoektocht naar dopamine.

Nutteloze onderwerpen die enkel als doel hebben om te polariseren. Links of rechts, etnisch-culturele-religieuze verschillen of banale onderwerpen zoals "Max Verstappen" ( Wereldkampioen F1, 2021) Belg of Nederlander is, iedereen weet toch dat hij Maaseikenaar is  ;) , het is allemaal nutteloos roepen en tieren dat eigenlijk tot niets leidt.

Een bijzonder verslavende bezigheid dit alles, dat eigenlijk tot niets leidt en een zeer grote groep gebruikers in opvoedkundige zin verzuimd hebben zich te scholen in verantwoord gebruik en waardigheid in de bloedlijn ver te zoeken is.


Een App voor dit...en een App voor dat...

Zijn er voordelen? Ik weet het niet echt, ik kan er niet over meespreken, maar argumenten zijn er genoeg van mensen waarmee ik geregeld in contact sta. "Gemakkelijk is het wel om er één te bezitten” zeggen ze dan, maar is dit het enige argument? De enkelingen, en ik bedoel echt "die enkele" die nog de traditionele GSM -mobiel a la Nokia hebben is bijna herleid tot niets, iedereen heeft tegenwoordig een "gepersonaliseerd comandocentrum".

Natuurlijk met de nodige apps waarvan je verwacht word “die absoluut nodig te hebben”, apps die je proberen te overtuigen dat ze je het leven gemakkelijker proberen te maken. En is dit nu wat een smartphone voor dient? Zoveel mogelijk het persoonlijk denken en beslissingen maken/nemen vereenvoudigen. Ik zeg altijd, moeilijk gaat ook, wat is er verkeerd met moeilijk? 

Misschien is dit wel een voordeel. Ik betrap ze wel eens, mensen waarmee ik in gesprek ben, tijdens het gesprek of vlak erna,  het gespreksonderwerp of details ervan moeten opzoeken op Google. 

Ik observeer en het leek me een voordeel, tot ik dit vertelde aan een iemand met een nuchtere kijk op de samenleving. Die zei mij dat dit opzoeken niets met een "smartphone voordeel" te maken heeft, maar enkel met het gemis aan wijsheid, en voor kennis over banale onderwerpen die 30 jaar geleden algemene kennis waren moet men anno 2021 Googelen.

Met andere woorden, met ons onderwijs systeem is ook iets mis mee. Dat leren omgaan met een smartphone zou een taak voor de scholen kunnen zijn, maar die slagen er nu al niet in om de kinderen goed te leren rekenen, correcte taalbeheersing bij te brengen.  Is het dan een taak voor de ouders?...........

En de argumenten van smartphone eigenaars blijven maar komen, het is net dat ze me absoluut willen overtuigen van het nut ervan."wat als je autopech hebt wat dan".....

Tja, ik die 38 jaar dat ik met een auto rij heb ik nog nooit gebruik gemaakt van een 'praatpaal' die anno 2021 ook reeds verdwenen is uit onze samenleving. Moest dit toch zo zijn, dan bel ik wel even aan bij een huis of vriendelijke voorbijganger, laat de pechdienst komen, en het is opgelost.

Vroeger zat je - letterlijk - gewoon met papieren kaarten in de auto of op de fiets. Of: je vroeg gewoon aan een vreemde de weg.

En doe dit anno 2021 nog steeds, het help om beter inzicht te krijgen van stad, afstanden, wegennet, borden lezen... leren inschatten en nadenken. En voor alle zekerheid neem ik mijn TomTom mee, toch even Murphy's Law incalculeren. ;)

Als je vroeger op vakantie was had amper contact met het thuisfront. En als je dan al eens kon bellen, dan hoorde je vooral gekraak en geruis.

Toch geweldig, de vakantie ervaren zoals het of ze is zonder de noodzakelijke selfies of sociale media om te laten zien hoe goed je het hebt. Of nog erger nog, je vakantie op een wijze plannen dat nog voor je in het vliegtuig stapt richting NY je City trip zo programmeert, dat je absoluut selfies wil met bepaalde gebouwen en hippe plaatsen en te posten op sociale media.

De sociale druk om toch maar niets te missen op die City trip, maar de stad op een natuurlijke wijze “ervaren” dat hebben ze niet gedaan.

Leven zonder mobiele telefoon | Leven zonder een GSM of mobiel |  Echt vrij zijn kan enkel zonder mobiel

Blijkbaar was ik “mediageil” midden jaren ‘90

Tussen 1992 en 2000 heb ik geprobeerd de basis te leggen voor de naambekendheid van mijn zaak, budgetten voor reclame  had ik absoluut niet. En in kranten en magazines staan was één van de manieren om op te vallen of je ambachtelijk product bekend te maken en heb er bijna 10 jaar een sport van gemaakt om redactionele reportage te scoren. En dat lukte aardig.

Eigenlijk een hele simpele manier van op te vallen, als ik bijvoorbeeld op skivakantie in Frankrijk was, kocht ik in de plaatselijke kiosk een magazine waarvan ik dacht, dat een reportage over mijn werk een meerwaarde voor het magazine zou kunnen zijn. Terug van vakantie schreef ik ( ja, schrijven!) een brief inclusief fotomateriaal en reeds gepubliceerde artikels naar de desbetreffende redactie. 

Netjes in een grote briefomslag ging het dan richting Frankrijk, honderden van deze brieven heb ik geschreven in deze periode. En geregeld was er dan een hoofdredacteur die mijn verhaal wou publiceren, er werd een interview afgenomen ...soms een kleine bijdrage en soms een uitgebreide. Deze publicaties zijn de basis geweest van mijn prille naambekendheid in de wereld van het houtsnijden.

Met deze publicaties kwamen natuurlijk ook de telefoontjes en de opdrachten binnen, misschien niet altijd direct, want ik kan me nog goed herinneren dat er geregeld mensen aan de voordeur stonden met een publicatie in de hand van een aantal jaren oud. De portfolio werd steeds groter, de opdrachten belangrijker en dit alles met een reclamebudget van 0 Bfr. (0 Euro)

Op de jaarlijkse tentoonstelling in juni op het Technisch Instituut Sint Jansberg te Maaseik   zei me eens (ik meen in 1998) een oud leraar houtsnijden dat ik "mediageil" was  door steeds weer in kranten te staan. Ik wist op dat moment niet hoe ik dit moest opvatten, was dit goed of slecht, maar op de manier hoe hij het bracht leek zijn opmerking eerder iets vies. Blijkbaar een gevoelige snaar geraakt dacht ik.

Ben er zeker van dat diezelfde persoon op dit moment er weinig probleem mee heeft om foto's van zijn vakantie, nieuwe aankoop van.... of familiefeest te delen met de hele wereld. Dus wie is nu mediageil? Ik, die dit deed om te "ondernemen" een zoektocht naar opdrachten en naambekendheid of een gepensioneerde leraar die zich gepasseerd voelt en deze leegte wil opvullen met dagelijkse shot dopamine moet ervaren.

 

Uiteindelijk heeft deze "Mediageilheid" midden tot eind jaren '90 ervoor gezorgd dat op dit moment magazines wereldwijd vragen om een redactioneel interview te mogen publiceren en vinden dat mijn volharding wat mijn werkzaamheden betreft, een meerwaarde is voor hun krant of magazine. En nog steeds gratis ;) .

 

Patrick Damiaens | Leven zonder een GSM of mobiel | echt vrij zijn zonder mobiel

Internet

Waar dient het huidige internet voor mij persoonlijk dan wel voor?  Eigenlijk hetzelfde als de briefomslagen van midden jaren '90, maar nu gaat dit allemaal veel sneller, een connectie maken met eventuele klanten of je bekend maken bij redacties is voor de zaak een grote meerwaarde.

Het is de perfecte plaats voor het promoten van je vakmanschap en creativiteit, en bij mij thuis gebeurt deze afleiding enkel en alleen met de PC thuiscomputer, er komt zelfs geen laptop aan te pas. 

Een laptop kan reeds een storend element zijn in een woning of relatie, er is maar één plek in het huis waar je op het internet kan om zo de afleiding beperkt te houden. En zelfs dan betrap ik me zelf geregeld me uren lang op sites te begeven die niet echt meerwaarde geven aan mijn bestaan.

Norm

Het is opmerkelijk en zelf wat beangstigend dat een mobiel of zal ik maar zeggen smartphone de norm geworden is, ik stel me af en toe de vraag waarom moet ik in een restaurant de QR code van een menukaart moet scannen? Of tickets voor musea, cinema of theater met je smartphone moet bestellen en betalen? Je verplicht inloggen hier en daar.... en ga zo maar door. Niet zozeer het hebben van een smartphone maar het moeten actief zijn op de sociale media is wat de druk oplegt bij de huidige generatie. 

En dan die *WhatsApp groepjes, de sociale druk van vrienden, collega's, familie, school...om in één van deze "praatgroepen" opgenomen te worden, onnodige discussies en nutteloze gesprekken over nutteloze onderwerpen, ik heb het zelf meegemaakt met mijn partner, onder lichte druk van haar collega's heeft ze een smartphone gekocht zodat ze mee kon doen aan die "belangrijke" gespreken. Je zult maar iets gemist hebben... 

* WhatsApp is een mobiele app voor instant messaging ontwikkeld voor de smartphone. Met een internetverbinding is hiermee te chatten en kunnen digitale foto's, geluids- en video-opnamen, documenten of GPS-coördinaten worden doorgestuurd.

 

De tijd vliegt snel, gebruik hem wel.

Het enigste wat een mens heeft is tijd, en dat zijn velen onder ons vergeten.

Tijd vliegt voorbij en komt nooit meer terug, en die ben je effectief ook kwijt, dus de tijd die je "verbruikt hebt" om te reageren of een frustratie te uiten op YouTube, social media en dan nog eens moeten reageren op deze reacties zullen uiteindelijk tot niets leiden, en verdwijnen in de tijd. Het is gebakken lucht.

Vanaf de zijlijn ervaar ik een hedendaagse samenleving, een generatie die opgroeit met een smartphone in zijn hand, de keuzestress die ze moeten ondergaan of de stress die ze ervaren van niet genoeg "likes" en dan spreken we nog niet van negatieve reacties te krijgen op sociale media berichten, word steeds groter. 

En dan spreken we nog niet over wat er allemaal in hun hoofd omgaat als ze hun  smartphone vergeten hebben (dat zou al heel uniek zijn), het opladen van de batterij of geen Wifi hebben, bijzonder grappig allemaal. Ik denk dat het een gevoel moet zijn zoals die van een alcoholist, die je zijn alcohol of de roker zijn sigaretten afneemt.

Leven zonder mobiele telefoon | Leven zonder een GSM of mobiel |  Echt vrij zijn kan enkel zonder mobiel


Conclusie

De innerlijke rust die ik heb is onbetaalbaar, het is net als een wandeling, die ik dan ook ervaar als een echte wandeling, een moment van rust en  nadenken,  hoe ik problemen in het atelier moet aanpakken. Ik wordt namelijk niet afgeleid en blijf steeds gefocust met wat ik bezig ben.

Kent u het woord nog? Het woord verveling of de dode momenten, op restaurant, in de vertrekhal van een luchthaven, aan het bushokje, in de trein, leunend tegen een muurtje, etc....) Het is een automatisme geworden voor velen om dit dood moment op te vullen door een smartphone die je stimuleert om mee te doen met de rest van de maatschappij. Zo een moment van verveling is goed voor je, studies hebben dit reeds bewezen.

Verveling betekent niet dat je absoluut niets anders te doen hebt, maar dat alternatieven om bezig te zijn niet erg aantrekkelijk zijn. Deze dode momenten zetten je aan tot een andere manier van denken en zelfs creativiteit.  Mocht je interesse hebben over dit moment iets meer te weten, hier een link naar het onderwerp:


En dan nog een laatste tip aan alle Smartphone gebruikers er zit een aan-en uitknop op. Die moet vaker gebruikt worden of laat hem gewoon thuis liggen. 

Hopelijk is de tijd die ik verbruikt heb met het schrijven en samenstellen van dit onderwerp voor een aantal bloglezers een  leuke en leerrijke bezigheid, ik persoonlijk heb er toch plezier aan beleefd.


Patrick Damiaens | Leven zonder een GSM of mobiel | echt vrij zijn zonder mobiel
https://www.patrickdamiaens.info