Handmade in Belgium. De houtsnijblog van PATRICK DAMIAENS een Houtornamentist -
houtbeeldhouwer uit Maaseik. Gespecialiseerd in ornamenten in hout en heraldische familiewapens. Patrick is ornamentsnijder - houtsnijder één van zijn specialisaties zijn heraldische familiewapens in hout. Sinds de oprichting in 1990 heeft het atelier een uitstekende reputatie verworven in het artisanaal vervaardigen van ornamenten, houtsnijwerk en beeldhouwwerk. Ik sta u graag verder te woord mocht u vragen hebben
WELKOM OP MIJN BLOG
Deze blog heeft als doel houtsnijwerk en ornamentiek in de kijker te plaatsen. Een bezoek aan een museum of een kasteel zijn onderwerpen die aan bod komen. Maar deze blog laat jullie ook kennis maken met mijn eigen vakmanschap. Veel leesplezier.
Museum COGNACQ-JAY in Parijs bezoeken Hôtel de Donon
Museum COGNACQ-JAY in Parijs bezoeken
In de maand juni van 2017 bracht ik met een aantal cursisten houtsnijden een bezoek aan Parijs, op het programma stond een bezoek aan het Museum Cognacq-Jay, je moet ongeveer anderhalf tot 2uur uittrekken voor een bezoek aan dit Museum.
De deftige wijk "Le Marais" is rijk aan prachtige
stadspaleizen (Hôtels) uit de 16de, 17de en 18de eeuw, het zijn Hôtels waar een aantal vooraanstaande musea onderdak hebben
gevonden. Zo is het museum Cognacq-Jay gevestigd in Hôtel de Donon, een elegant
stadspaleis uit eind 16de eeuw, beschermd als "Monument Historique",
waar het nalatenschap is ondergebracht van het echtpaar Cognacq-Jay, oprichters
van het Parijse warenhuis La Samaritaine dat na bijna 10 jaar renovatie en verbouwingen, anno 2021 omgedoopt werd tot luxegrootwarenhuis een pretpark voor de superrijken, het is gelegen aan de oevers van de Seine.
De indrukwekkende collectie kunst-
werken en voorwerpen uit de 18de eeuw, verzamelt door Ernest Cognacq en zijn
echtgenote Marie-Louise Jaÿ tussen 1895 en 1925, is in 1928 afgestaan aan de
stad Parijs. Schilderijen van Il Canaletto, Boucher, Fragonard, Greuze,
Tiepolo en Rembrandt, pastels van La Tour, beeldhouwwerken van Houdon en
Clodion, porselein uit Saxe, *gemerkte meubelen en zilverwerk kunnen tijdens een
bezoek bewonderd worden.
(*) Heet in het Frans, Estampille
Tijdens ons bezoek in 2017 werd er in een aantal zalen van het Museum een thematische tentoonstelling dat luisterde naar de naam " Sérénissime" Venetië in feeststemming, van Tiepolo tot Guardi. Met werken van de Italiaanse 18de-eeuwe kunstenaars Tiepolo, Guardi, Longhi en Il Canaletto. Dit leuke extra was natuurlijk fijn meegenomen maar niet gratis, normaal is een bezoek aan het Museum kosteloos ( Museum van de stad Parijs) maar door de thematische tentoonstelling op dat moment 8 Euro.
Het museum en het Hotel Donon
Na een grondige restauratie tussen 1986 en 1989 herbergt Hôtel Donon, een herenhuis uit de 16e eeuw in het hart van de Marais, sinds 1990 de collecties van Ernest Cognacq en Marie-Louise Jay.
De collecties worden tentoongesteld op drie verdiepingen in het hoofdgebouw en in de galerijen rond de binnenplaats. De inrichting van de permanente collectie was bedoeld als een thematische verkenning van de achttiende-eeuwse kunst, waarbij de bovenste verdieping gereserveerd was voor tijdelijke tentoonstellingen en de entreehal gewijd was aan de geschiedenis van de collectie zelf.
In de loop van de laatste twintig jaar, met de komst en het vertrek van nieuwe werken en tentoonstellingen en de veranderende regels voor het tentoonstellen in musea, is de indeling geleidelijk geëvolueerd om de twee belangrijkste prioriteiten van het museum te weerspiegelen: de tijdelijke tentoonstellingen, die op de eerste verdieping worden gehouden, en de permanente collecties, die zowel worden tentoongesteld in reconstructies van historische periodes als in zalen die aan specifieke thema's of stijlen zijn gewijd.
Verder worden er algemene- en thematische
rondleidingen verzorgd door een gids-conferencier, maar ook workshops, geanimeerde
rondleidingen en een route door de wijk Le Marais georganiseerd voor
volwassenen en kinderen. Na ons bezoek genoten we op de binnenkoer van het Museum van een welverdiende verfrissing.
"Sérénissime" Venetië in feeststemming, van Tiepolo tot Guardi. Museum COGNACQ-JAY in Parijs
Grappig detail is deze ovale lijst, aan het snijwerk te zien een laat 18de eeuwse ( Lodewijk XVI stijl). De conservator van het Museum had anno 2022 nog altijd niet door dat deze lijst ondersteboven hangt. Strik met knoop moet steeds aan de bovenzijde van de lijst niet vanonder.
In 2022 bij de publicatie van deze blog heb de conservator in Parijs op de hoogte gebracht. Ze schreef: Hartelijk dank voor uw oplettendheid.
Wegens onze tentoonstelling gewijd aan Boilly, wordt dit schilderij momenteel niet tentoongesteld in het museum. Wij hopen het aan het einde van de tentoonstelling weer op te hangen.
In dat geval volgen wij uiteraard uw aanwijzingen en plaatsen de lijst in de correcte wijze.
Met vriendelijke groeten,
(Many thanks for your vigilance. Due to our exhibition dedicated to Boilly, this painting is currently not exhibited in the museum. We hope to hang it at the end of the exhibition. In case, we obviously follow your requirements and put the frame in the right side. With best wishes,)
Meester van de stenen kop - martelares 1525 Suermondt-Ludwig Museum ( Aken)
Dateren van
Laatgotische beelden
Houtsnijden
is mijn lust en mijn leven. Ik ben meer ambachtsman dan kunstenaar en bij gebrek aan fantasie heb ik een
inspiratiebron nodig zoals bijvoorbeeld een schilderij of een ander gesculpteerd
voorwerp. Toen ik een jaar geleden een foto zag van een recent aangekocht mooi
beeldje was ik verkocht: dat beeldje wilde ik namaken. Volgens de beschrijving zou
het gaan om een laatmiddeleeuws beeldje, gesneden uit buxushout en voorzien van
een inscriptie van de hand van de beeldensnijder.
Tijdens het bestuderen
van de foto zag ik details die qua beschrijving en datering niet strookten met
mijn achtergrondkennis.Reden voor mij
om het proces van dateren van middeleeuwse beelden nader uit te zoeken. Het
blijkt dat er globaal 4 onderzoeksmethoden aan te pas komen:
1. Onderzoek van
stilistische kenmerken
2 dendrochronologisch onderzoek
3 onderzoek van de
gebruikte houtsoorten
4 historisch onderzoek.
Ik beperk mij tot de
West-Europese beeldensnijkunst. Na de inleiding ga ik op deze 4 methoden dieper
in.
Inleiding
De
middeleeuwse beeldhouwkunst is vooral een religieuze kunst. Met beelden van
heiligen, daaraan gelijkgestelden en altaarstukken wilde de roomse kerk haar
boodschap visualiseren voor de gewone burger die in het algemeen niet kon
lezen. De houten beelden waren eenvoudig en zonder enige expressie. Naarmate de
renaissance aan invloed wint worden de religieuze voorstellingen realistischer
en levendiger. Het resultaat van de laatmiddeleeuwse beeldsnijkunst is een
rijkdom aan beelden, retabels[1]
en andere religieuze voorstellingen waarvan voor het merendeel onbekend is wie
de maker was.
[1]Een retabel is een beeldhouwwerk of schilderij dat achter of op een altaar wordt geplaatst.
Het was in
de middeleeuwen niet gebruikelijk voor een schilder, (steen)beeldhouwer of
beeldensnijder om hun werk te signeren. Dat we nu weten wie de schilders en
beeldhouwers van sommige van die geweldige kunstwerken zijn danken we aan de
archieven van hun opdrachtgevers. Zij hielden bij aan wie zij opdracht hadden
gegeven om een beeld, altaarstuk of schilderij te maken en legde ook het thema
vast. Ook werd bijgehouden wanneer het werk was opgeleverd, de kosten en
eventuele bijzonderheden.
Zo is het project
“hoofdaltaar van de Nicolaikirche in Kalkar” vanaf ca 1485 uitvoerig
beschreven. Zo weten we dat Arnt van Zwolle begonnen is en na diens dood is het
altaar afgemaakt door Ludwig Jupan. Het gebruikte eikenhout was Baltisch eiken
dat op verschillende tijdstippen in Nijmegen, Kampen en Amsterdam werd gekocht.
Waarom is
het dateren van een kunstobject zo belangrijk. Gewoon genieten van de
schoonheid van een beeld en de fantasie en het vakmanschap van de maker zou voldoende
kunnen zijn.
Maar laten
we niet vergeten dat een religieus kunstobject, in dit geval een religieus
beeld, ook een venster is waardoor men inzicht kan krijgen over het leven van
de mensen en hun religieuze belevenis van toen. Het dateren stelt ons ook in
staat om maatschappelijke ontwikkelingen
in de tijd te volgen. Daarom is het dateren zo belangrijk.
Halverwege de
16e eeuw is het afgelopen met de religieuze beeldensnijkunst in
Noordwest-Europa als gevolg van de godsdiensttwisten door de reformatie en de
oorlogen met Spanje. In de Nederlanden wordt bovendien in 1581 de roomse
religie verboden.
Lucas Cranach(II) Agnes von Hayn 1543 Staatsgalerie Stuttgart
Methoden om een object te dateren Dateren op basis van stijlkenmerken
Beelden en
altaren uit de late middeleeuwen zijn in het algemeen zeer gedetailleerd en geven
daardoor handvatten om te dateren. De algemene aanpak is dat men zoekt naar
overeenkomsten in stijl met andere, liefst vergelijkbare, objecten; in dit
geval dus beelden. Stijlkenmerken omvatten alle kenmerken waarmee het object
aan een bepaalde tijdperiode gekoppeld kan worden en in enkele zeldzame gevallen
aan een specifieke beeldensnijder. Stijlkenmerken kunnen zijn een bepaalde gelaatsuitdrukking,
de uitwerking van de lichaamshouding of de gedetailleerdheid van kleding.
Het zoeken
naar stijlovereenkomsten bij verschillende objecten kan wel een gangbare
methode zijn, maar is geen wetenschappelijk verantwoorde methode. De criteria
zijn niet objectief. Hoeveel en welke stijlkenmerken moeten bijvoorbeeld
overeenkomen? Zelfs wanneer de objecten in de zelfde periode gemaakt zijn, dan is
er geen zekerheid. Er kan sprake zijn van een vervalsing, immers een
(gedeeltelijk) gekopieerd object lijkt op zijn minst zeer sterk op het
origineel en heeft derhalve ook kenmerken van het origineel. Maar ook de
opdrachtgever voor het maken van een object kan eisen dat aan bepaalde stijlkenmerken
wordt voldaan.
In de vroege
middeleeuwen is de Roomse kerk vrijwel de enige opdrachtgever en zijn de religieuze
beelden onderworpen aan de regels van de kerk: de conventie. Met als gevolg dat
de beelden weinig expressie en weinig details hebben. De beelden zien er min of
meer het zelfde uit omdat de beelden de zelfde boodschap moeten uitbeelden. Het
is dan lastig tot een redelijke datering te komen. Vanaf begin 15e
eeuw begint de stijl van de beelden te veranderen; lichaamshouding en gezichten
worden realistischer en kleding wordt natuurlijker weergegeven. De onbewogen
star kijkende zittende Maria met kind op haar knie (Sedes sapientiae, zetel der
wijsheid) uit de vroege middeleeuwen transformeerde tot een staande elegante
jonge moeder die op een natuurlijke manier haar kind op haar arm heeft.
Aan het
einde van de late gotiek, eind 15e eeuw, bereiken die beelden hun
hoogtepunt van expressie en realistische weergave. Met de familie Bormans in
Mechelen, Hendrik Douverman in Kalkar en Jan Borreman in Brussel als zeer
prominente beeldensnijders in “onze” streken. Om die nieuwe stijl te kunnen
realiseren moet een beeldensnijder zijn werkwijze aanpassen. Hij heeft daarvoor
een echt voorbeeld nodig, een menselijk model in de juiste houding met daarbij
passende kledij. Voor de praktische uitvoerbaarheid maakte hij een kleimodel
van het gezicht en zo nodig de handen van zijn model en gebruikte hij mannekijns,
houten poppen, om de kleding realistisch over te draperen.Een methode die nu nog steeds in gebruik is. Een
tweetal voorbeelden. Voor het 7-smarten retabel in de Nicolaikerk in Kalkar
nodigde Henrik Douverman vrouwen en mannen uit Kalkar uit om model te staan.
Douverman beeldde deze mensen zo realistisch uit dat men zichzelf en elkaar
herkende. Het tweede voorbeeld komt uit een artikel over Gotische Buxushouten
miniaturen. “And in the background --- a man and a woman witness the mass taking
place at the altar ---. While dressed in contemporary Flemish fashion, this is
no ordinary couple. It is likely that they represent Henry VIII and Catherine,
whose initials are carved ---- on the exterior of the same bead. (Barbara
Drake Boehm).
Deze
voorbeelden bevestigen dat laatmiddeleeuwse beeldensnijders (en ook kunstschilders)
de mensen weergaven in de kleding zoals die in die tijd werd gedragen. Al doet het
wel een beetje vreemd aan om Romeinse soldaten bij de kruisiging te zien in het
tenue en met de wapens van de middeleeuwen. Schilders uit de middeleeuwen zoals
de Vlaamse primitieven,
Lucas Cranach,
Pieter Breughel en de renaissance schilders waren zo vriendelijk kleding zeer
gedetailleerd weer te geven en schiepen daarmee onbewust een kledingdatabank.
Margaretha van Eyck 1439 geschilderd door Jan
Kleding en
eventuele attributen zijn objectieve kenmerken waaraan een objectieve datering kan
worden gekoppeld. Weliswaar kan de datering soms alleen in termen zoals vroeg,
midden of laat-xyz- eeuw geduid worden, maar het is in ieder geval een
objectieve datering. Een nadeel van de realistische weergave is dat als verschillende
beelden de zelfde houding hebben de kleding vergelijkbare plooien krijgt
hetgeen verwarring kan oproepen. Latere
decoratieve toevoegingen of wijzigingen kunnen wijzen naar een andere
stijlperiode dan het beeld oorspronkelijk had. Van Pierre Cuypers is bekend dat
hij meerdere middeleeuwse beelden heeft aangepast en versieringen toegevoegd heeft
om die beelden zijn neogotisch aanzien te geven.
St Ursula, meester van Elsloo, ca 1530. V&A museum. Kleding volgens de mode van 1520-1540. Deze kleding komt veel voor bij beelden uit het Maas-Rijn-gebied. Bron: V&A museum
Sommige beeldensnijders
zoals de laatmiddeleeuwse Duitse beeldensnijder Niclaus Weckmann en “onze”
Pierre Cuypers maakten ook wel gispafdrukken van hun kleimodellen van hoofden
en gebruikten die gipsafdrukken om andere beelden te vorm te geven. Op die
manier krijgen hun beelden ten dele de zelfde kenmerken. Men kan later wel vaststellen
dat die bepaalde groep beelden door de zelfde beeldensnijder werden gemaakt.
Echter, om er de beeldensnijder bij te vinden is nog steeds meer informatie
nodig.
Een
zinvollere optie om een beeldensnijder te identificeren is te kijken hoe het
thema voor het kunstwerk is uitgewerkt. Voor een enkele figuur is er weinig
vrijheid in de vormgeving, maar bij een beeldengroep of een retabel is er juist
veel speelruimte om het thema uit te werken en daar kan een beeldensnijder een
eigen stijl ontwikkelen. Dus om te achterhalen wie een bepaald kunstwerk maakte
is een speciale aanpak nodig.
Dateren met dendrochronologisch onderzoek of
een C14-meting
Sommige
houtsoorten zoals eiken laten zich goed dateren met dendrochronologisch
onderzoek.. Bij dendrochronologisch onderzoek worden de jaarringen opgemeten en
vergeleken een standaard jaarringenkalender van de houtsoort. Dit geeft de
vermoedelijke kapdatum met grote nauwkeurigheid. Zelfs zeer nauwkeurig als er spinthoutresten
aanwezig zijn. Bij het ontbreken van de
buitenste jaarringen zoals bij de meeste beelden kan men de kapdatum grof
schatten. Is de kapdatum bekend dan is een vroegste snijdatum redelijk te
bepalen ervan uitgaande dat het beeld vrij snel na het kappen werd gesneden. En
dat behoeft niet altijd het geval te zijn. Bij de restauratie van een 17e-eeuws
meubel werd bij voorbeeld ontdekt dat in de originele constructie ook hout was
gebruikt dat 25 jaar eerder was gekapt. Hoewel dit voorbeeld een andere
situatie betreft, laat het zien dat nog bruikbare stukken hout niet gelijk in
de kachel belandden. Een stuk boomstam kan rustig 10 jaar onder water bewaard
worden mits het water regelmatig wordt ververst.
Dankzij het
gebruik van eiken voor huizen en kerken waarvan de bouwgeschiedenis bekend is
kon men voor eiken betrouwbare jaarringenkalenders (referentietabellen) opstellen.
Het toeval wil dat veel middeleeuwse beelden van eiken gesneden zijn waarvoor veel
informatie voor de datering van deze beelden beschikbaar is.
Leuven Sint-Pieterskerk Maria sedes sapienstiae
Een andere
methode is de C14-methode die berust op het verschijnsel dat bomen uit de lucht
radioactieve koolstof C14 opnemen. Zodra de boom gekapt is neemt de hoeveelheid
radioactieve C14 in de boom af. Door de verhouding van radioactieve C14 tot de gewone
koolstof van de boom met de verhouding van de C14 en de gewone koolstoffen in
de atmosfeer te vergelijken kan berekend worden wanneer de boom ongeveer geveld
werd. De C14-methode is minder nauwkeurig dan de dendrochronologische methode. C14-methode
is nauwelijks toepasbaar voor kunstwerken omdat het houtmonster dat van het
kunstwerk moet worden genomen hierbij verloren gaat. Ook zijn conservators
meestal tegen het opzettelijk beschadigen van een kunstwerk. Ook
dendrochronologisch onderzoek heeft zijn beperkingen. Soms is het mogelijk een
goed monster uit de sokkel te nemen of een jaarringenpatroon te zien. Echter
meestal is het aantal jaarringen te gering. Het is dan wel mogelijk om vast te
stellen dat de boom in jaar xyz nog groeide maar niet wanneer de boom werd
gekapt. Dat maakt een datering moeilijk.
Voor een groot aantal regio’s heeft men regionale jaarringkalenders
ontwikkeld. Vooral voor eikenhout. Dendrochronologisch onderzoek levert dan ook
de regio waar de boom groeide op. Kent men de regio en de mogelijke kapdatum
dan is een beeldensnijder wat eenvoudiger te traceren zou je denken. Helaas, niet
dus. In de 11e-13e eeuw werden veel bossen gekapt om er
landbouwgrond van te maken. Ook voor scheepsbouw en huizenbouw werd in geheel
Europa in de middeleeuwen en daarna op grote schaal eik gekapt. Weliswaar werd
er aan bosbeheer gedaan, maar zwaar onvoldoende om aan de vraag te voldoen. Er werd
daarom veel eiken ingevoerd uit de Baltische streken, met name uit Polen en
Pruisen. Kon een beeldensnijder in sommige regio’s met enige regelmaat nog een
geschikte eikenboom uit de eigen regio kopen, in andere regio’s was hij volledig
afhankelijk van de houthandel. Het niet kunnen beschikken over inlands eiken was
overigens geen ramp. Baltisch eiken is fijn van nerf en het wagenschot[2]
is uitermate geschikt voor houtsnijwerk en derhalve geliefd bij de
beeldensnijders. Weliswaar kan met dendrochronologisch onderzoek de mogelijke
kapdatum en de groeiplaats van het Baltische hout bepaald worden, Echter,het levert geen informatie over de woonplaats
van een beeldensnijder in onze streken.
[2]Eiken planken van kwartiers gekloofd eikenhout wordt wagenschot genoemd
Hoe
belangrijk Baltisch hout voor de Nederlanden was laat een studie van Jansma
zien. Jansma[3] concludeert na een
bescheiden onderzoek van meubels, beelden en schilderijen dat Nederlandse
kunstenaars en meubelmakers voor ca 1600 hoofdzakelijk Baltische eik gebruikten.
Na 1600 werd langzamerhand overgeschakeld naar eiken uit Zuid- en Midden-
Duitsland omdat de Engelsen de handel van Nederland met de Oostzeelanden
hinderden om met hun Navigation Acts in 1651 en 1660 de Oostzeehandel geheel
onmogelijk te maken. Voor beeldensnijders in de Nederlanden maakt het allemaal
niets meer uit. Vanaf het midden van de 16e eeuw komt door de godsdienstongeregeldheden en de oorlogen
met Spanje de productie van religieuze beelden en altaren stil te liggen. Het
is het einde van een periode waarin uiterst bekwame beeldensnijders prachtige
beelden en altaren gemaakt hebben waarvan men vaak niet precies weet wie het
heeft gesneden.
[3]Jansma, Hanraets en Vernimmen; Tree-ring research on Dutch and Flemish art and furniture.
De gilden
waren in de middeleeuwen heel sterk en beleidsbepalend. Zo kon een gilde
bepalen hoeveel hout een beeldensnijder op voorraad mocht hebben of dat een
beeldensnijder geen hele stam mocht kopen maar dat hij een stam met een
collega-beeldensnijder moest delen. Dat heeft duidelijk gevolgen voor het
identificeren van een beeldensnijder. Bij onderzoek naar beelden van de
Elsloo-groep in 2013[4]
werden de onderzoekers een paar maal met deze situatie geconfronteerd. Om een
goede conclusie te kunnen trekken omtrent de betrokken beeldensnijders is
kennis over de lokale houthandel onontbeerlijk.
[4]Peters, Famke, 'A Masterly Hand, Interdisciplinary Research on the late Late-Medieval Sculptor(s) Master of Elsloo in an International Perspective' , Brussels, 2013
Een
houtsoort met eigenschappen die haast tegenovergesteld zijn aan de
eigenschappen van eiken is de buxus sempervirens. Buxus is een harde houtsoort
met een zeer fijne structuur waardoor kleine fijne details gesneden kunnen
worden. Een ideaal materiaal derhalve. In Frankrijk en Zuid-Europa werd in de
middeleeuwen buxushoutgebruikt voor kleine
beelden, kleine altaarstukken en luxe gebruiksvoorwerpen. Deze voorwerpen waren
bedoeld voor persoonlijk gebruik en ook zeer kostbaar. Een groot nadeel van
buxus is de geringe stamdikte waardoor er alleen maar kleine beelden uit een
stuk gesneden kunnen worden.
Een ander
nadeel van buxus is dat het moeilijk te dateren is. De jaarringen van buxus
zijn zeer dun en daardoor lastig goed vast te stellen. Daar komt nog eens bij
dat er zeer weinig objecten van buxus zijn waarvan de maakdatum of aankoopdatum
vrij exact bekend is en dat maakt het opstellen van een jaarringenkalender lastig.
Dendrochronologisch gezien min of meer een ramp. In enkele gevallen is bekend
wie een buxushouten object in bezit heeft gehad zoals Margaretha van Bourgondië,
de moeder van Jacoba van Beieren. Een alternatieve manier is de
C14-methode,waarvoor echter materiaal van het voorwerp worden weggenomen.
Voor zover
deze pareltjes van buxus in Nederland voorkomen, ligt het voor de hand om aan
te nemen dat de beeldjes en zak-/reisaltaren gesculpteerd werden ingevoerd. Een
uitzondering vormen de bekende gebedsnoten van buxus uit de periode 1600-1650
waarvan men aanneemt dat zij door Adam Dircksz zijn gemaakt. Men vermoedt dat
Adam Dircksz in de Zuiderlijke Nederlanden en/of in de omgeving van Delft heeft
gewerkt. Het Rijksmuseum heeft recent een buxushoutencalvariebeeld van Claus Sluter aangekocht.
Men neemt aan dat deze Hollandse beeldhouwerhet werk heeft gemaakte in de periode dat Sluter in Dijon werkte.
De vraag
waarom er geen buxus in de middeleeuwen in de Nederlanden werd gebruikt is
betrekkelijk eenvoudig te beantwoorden: buxus was gewoonweg hier moeilijk
verkrijgbaar.
Bij
opgravingen heeft men geen aanwijzingen gevonden dat er in de Middeleeuwen hier
buxus groeide. Men gaat er van uit dat buxus in de Nederlanden werd aangeplant nadat
men tijdens de barok in Versailles buxusheggen voor perkafscheidingen heeft
aangeplant.
Ook voor
deze kleine beeldjes is toch een redelijke stamdikte nodig en zelfs in
Frankrijk en Zuid-Europa zijn “dikke” buxusbomen spaarzaam. Met andere woorden,
een zeer bescheiden voorraad en nog bescheidener marktaanbod. Om dat mooie hout
te kunnen gebruiken moet een beeldensnijder allereerst weten dat er buxus
bestaat. En dat kan hij alleen weten als hij ooit een snijwerk uit buxus gezien
heeft ergens in een paleis of bij een andere houtsnijder elders. Vervolgens moet
hij zijn houtleverancier laten weten dat hij een buxusstam nodig heeft met een
bepaalde diameter. De houthandelaar op zijn beurt moet zijn leveranciers inlichten,
enz. Om kort te gaan, een man als Adam Dircks kon het lukken omdat hij dicht
bij een havenstad gewoond zou hebben of eigen kanalen had en anders wordt het
toeval dat een willekeurige beeldensnijder ergens in den lande buxushout in
handen krijgt.
Johannes de doper Steffeswert St. Johannes in disco
Identificeren door middel van merktekens, werkbanksporen
en inscripties
Zelfs
wanneer men een goede schatting heeft van de datering van het beeld en de
groeiplaats van de boom dan nog is het identificeren van de beeldensnijder niet
gemakkelijk.
Een van de hulpmiddelen
om de bijbehorende beeldensnijder te vinden is te kijken of er speciale
merktekens of werkbanksporen op het beeld aanwezig zijn. Met werkbanksporen
bedoelt men meestal gaten die in het houtblok zijn gemaakt om het blok in te
klemmen in een snijbank. Indien deze werkbanksporen overeenkomen met de sporen
op een ander beeld dan leidt dat steevast tot de conclusie dat beide beelden
uit de zelfde werkplaats komen.
Werkbanksporen
De reden om
naar werkbanksporen te zoeken is denkelijk terug te voeren tot 1923. De Duitse
kunsthistorici Hans Huth [5] en Hubert
Wilm [6] publiceerden toen ieder een boek waarin zij vermeldden dat
beeldensnijders speciale snijbanken gebruikten. Helaas zonder bronvermelding.
Wilm stelt dat een beeld zijn vorm moet worden gegeven in de zelfde stand als
waarin het wordt ten toon gesteld en dat in die stand moet worden gekeken of
het resultaat correct is. Dus bij een normaal beeld is dat rechtop. Wij mensen
zijn door onze ervaringen visueel en tactiel uitermate geoefend om staande vormen
en lijnen te beoordelen op hun verloop en we weten ook uit ervaring dat voor
een juist beoordeling en goede werkhouding je dan recht voor het beeld moet
staan.
[5]Hans Huth: Künstler und Werkstatt der Spätgotik
[6]Hubert Wilm: Die gotische Holzfigur : ihr Wesen und ihre Technik
Wilm gaat
uit van een verticale opstelling om het beeld vorm te geven en een horizontale
bank om de fijnere details te kunnen snijden. Om het houtblok in de werkbanken
vast te zetten werden dan puntige ijzeren staven in voorgeboorde gaten in het
hoofd en het voetstuk gestoken.
Beide
auteurs geven aan dat de ijzeren staven het mogelijk maken om het houtblok rond
te draaien, hetgeen een voordeel zou zijn. Het heeft mijns inziens als nadeel
dat het beeld niet stevig genoeg vastgezet kan worden om veilig en stabiel te
kunnen werken. De diameters en de diepten van de gaten lijken daarvoor te gering.
Om een beeld van 25-30 kg uit een horizontale snijbank steeds rechtop te moeten
zetten om het effect van iedere bewerking te controleren en weer terug in te
spannen is uitermate onpraktisch, vermoeiend en tijdrovend. Met andere woorden,
een horizontale bank zal nauwelijks of niet gebruikt zijn.
Wilm’s idee
over snijbanken is door opeenvolgende generaties auteurs zo vaak overgenomen
dat de oorspronkelijke context verloren
is gegaan en men er nu van uit gaat dat een beeld in zijn geheel op een
horizontale snijbank werd gesneden waarvoor de werkbanksporen het bewijs zouden
vormen. Op de minst praktische en meest onhandige werkopstelling die denkbaar
is zoals ondergetekende persoonlijk heeft mogen ervaren bij het maken van een
kapiteel.
De gedachte
dat beelden met vergelijkbare inklemsporen op de zelfde werkbank zijn gemaakt lijkt
logisch. Echter de werkopstelling moet in de eerste plaats wel een werkbare
opstelling zijn en daarvan is nauwelijks sprake en gelijksoortige inklemsporen
zijn geen garantie dat ze van een en de zelfde werkbank stammen. Misschien
zeggen ze iets over de smid.
Er is gelukkig
ook goed nieuws. Degene die het meeste profiteert van een draaibaar horizontaal
ingespannen beeld is de decorateur/vergulder ook wel stoffeerder genoemd. Met haar/zijn
kwasten kan men overal bij zonder de nog verse verf te moeten aanraken of om te
vergulden zoals op onderstaande houtsnede van Marcia Varronis uit 1473 te zien
is. Het ziet er dan ook naar uit dat Wilm en mogelijk ook Huth de
werkopstelling van de decorateur hebben aangezien als snijbank van een beeldensnijder.
De hamer op de houtsnede is niet bedoeld om op een snijbeitel te kloppen maar
om de bevestiging met de ijzers vast te slaan.
Als bewijs
voor de eerder genoemde snijbanken refereert men wel aan de “Kinder des
Merkur”, een reeks geschriften uit het einde van de 15e eeuw waarin
vele ambachten worden uitgebeeld. Echter men vergeet daarbij dat die geschriften
een verzameling van karikaturen, spotprenten is met een grote knipoog naar de
werkelijkheid en dat die afbeeldingen voor niet-deskundigen niet herkenbaar zijn
als niet waarheidsgetrouw. De ultieme test voor de aanhangers van de
werkbanksporentheorie zou zijn om op zo’n afgebeelde werkbank met een
vergelijkbare krachtsinspanning zelf een beeld te hakken.
Kinder des Merkur ca 1475
Andere merktekens
In steden
zoals Antwerpen en Brussel stelde het gilde of het stadsbestuur kwaliteitseisen
aan het hout waarvan de beelden, retabels en retabelkasten werden gemaakt. Als
het hout geschikt werd bevonden werd er een stempel opgezet. Voor Brussel een
hamertje en voor (h)Antwerpen een handje. Een dergelijk stempel had uitsluitend
betrekking op de kwaliteit van het gebruikte hout en niet op de (artistieke)
uitvoering van het kunstwerk. Maar ondanks het stad-/gildestempel weten we nog
niet wie de beeldensnijder was, immers een gilde bestaat uit meerdere leden.
Het ultieme
merkteken is een beeldmerk, inscriptie of de naam van de beeldensnijder; kortom
zijn signatuur. In de late gotiek is er
een enkeling die zijn werk voorziet van een persoonlijk kenmerk zoals Albrecht
Dürer en de beeldensnijder Jan van Steffeswerd. Opmerkelijk is dat de
zilversmeden in de Nederlanden dan al veel eerder door hun gilden verplicht
waren om hun werkstukken te voorzien van een meesterteken. Ter voorkoming van
misbruik of bedrog?
Einde 15e
eeuw beginnen enkele kunstenaars hun werk te voorzien van een signatuur. Zo gebruikt
Albrecht Dürer een monogram met de letters AD en Jan van Steffeswerd zet soms
zijn gehele naam, dan weer alleen maar Jan en/of een meesterteken, duidelijk zichtbaar
op zijn beelden. Dürer gebruikte zijn monogram vooral om diens auteurschap vast
te leggen van zijn gravures en houtsneden. Dürer heeft profijt van zijn
monogram, want in 1506 voert hij met succes een proces tegen een vervalser van
zijn gravures.
Dateren met de historie van het object
De
provenance of de historie van een (kunst)object is alles wat is vastgelegd in
documenten en andere registraties over dat object. Niet alleen de herkomst, de
naam van de maker maar ook feiten zoals wie waren de eigenaren, is het object
op tentoonstellingen te zien geweest, is het ooit geveild? Een bepaalde
historie kan een garantie zijn voor de kwaliteit, de echtheid en ouderdom.
Sommige
religieuze beelden en retabels hebben een kleurrijke (beschreven) historie,
zoals het altaar in Kalkar, terwijl men bij andere beelden en retabels, even schitterend,
niet verder komt dan een opmerking in de trant van “het stond er al toen …”.
Bij de
godsdiensttwisten en de vele oorlogen zijn veel documenten verloren gegaan. En
niet te vergeten de Napoleontische tijd waarin klooster en kerken werden
gesloten en in gebruik kwamen als onderkomens voor de soldaten en hun paarden.
Het koppelen
van een naam van een beeldensnijder aan een bepaald beeld zonder dat diens signatuur
er op staat is zonder kennis van de historie van het beeld eigenlijk
onmogelijk. Het gebruiken van stijlkenmerken is op zijn zachtst gezegd niet
voldoende. Als ik een beeld kopieer dan heeft die kopie in ieder geval ten dele
de zelfde stijlkenmerken. Er is geen garantie dat hout uit de omgeving werd
gebruikt voor lokale beelden. Voor het hoofdaltaar van de Nicolaikirche in
Kalkar had men de hertog van Kleef gevraagd om hiervoor enkele bomen uit diens
bossen rond Kalkar beschikbaar te stellen. Betere datering kan je niet hebben.
Echter om allerlei redenen werd het retabel uit Baltisch eiken gemaakt door
Arnt van Zwolle.
Zelfs als
een beeldje gesneden is uit een boom die groeide in een regio waar een
beeldensnijder werkte, dan nog is er geen zekerheid dat deze beeldensnijder het
beeldje sneed vanwege de houthandel ging het hout overal naar toe.
Dendrochronologisch
onderzoek en eenC14-bepaling kunnen wel
indiceren in welke periode het hout voor een object werd gekapt, maar niet
wanneer het object daadwerkelijk werd gemaakt. Immers, men kan hout uit
vroegere tijden dat afkomstig is van gesloopte huizen kopen. Een berucht
voorbeeld hiervan is een set stoelen dat in 2009 verkocht werdaan het Palais van Versailles door een wereldbefaamde
antiekhandelaar. Ondanks de juiste stijl, de zelfde fabricagetechniek en het
juiste oude hout kwam het bedrog aan het licht omdat een andere antiekhandelaar
ontdekte dat er meer stoelen waren dan er officieel bestonden. De provenance
gaf de genadeklap aan de vervalsing.
Alleen met een
datering en een relevante provenance kan met gepaste (on)zekerheid de naam van
de beeldensnijder worden ontdekt. Zo niet dan is terughoudendheid geboden. Het
kunnen toevoegen van een mooi beeld aan de museumcollectie maakt iedereen gelukkig;
het museum met de aanwinst, de ontdekker en zijn team die een wapenfeit kunnen
bijschrijven en het publiek dat met eigen ogen kan zien of het beeld het
aankoopbedrag waard is.
Dateren met nabootsingen
Nabootsingen
zijn er in vele varianten. Wilm besteedt in zijn boek veel aandacht aan nabootsingen
en vervalsingen van beelden. Ik licht uit zijn boek de volgende opmerking uit.
“De meeste vervalsingen, ook al zijn ze technisch perfect uitgevoerd zullen ergens
wel stilistische gebreken hebben. Daardoor zijn ze herkenbaar als vervalsingen
(1). Slechts een zeer klein aantal mensen zou door ervaring en kennis een
perfecte vervalsing kunnen maken en dan is er wel degelijk een probleem.” (1)
Ik voeg hieraan toe “voor ter zake deskundigen”. In het speciale geval dat een
oude nabootsing gedateerd kan worden dat kan het meehelpen om een origineel
object te dateren. Het “neogotiseren ” van beelden door Cuypers beschouwt Wilms
als vervalsen. Waarvan akte.
Bovengenoemde methoden toegepast op mijn “beeld
met onduidelijke datering”
Ik begon er
mee dat ik mijn twijfels heb over de datering en de toeschrijving aan een
bepaalde beeldensnijder van een beeldje. Ik had alleen de beschikking over
foto’sen daardoor heb ik alleen kunnen
onderzoeken op stijlkenmerken en de signatuur op de foto’s. Voor de
leesbaarheid zal ik de geduide beeldensnijder Jan van Echt noemen.
Op grond van
gevonden stijlkenmerken is Van Echt niet de beeldensnijder van het beeldje.
Meer specifiek, enkele stijlkenmerken duiden op een periode na het overlijden
van Van Echt.
Van Echt zet
zijn signatuur breeduit in het volle zicht van de toeschouwer zodat zijn
signatuur ook zichtbaar is in geval het beeld hoog opgesteld wordt. Hij laat
zien dat hij trots op zijn werk is en iedereen mag weten dat hij, Van Echt, het
gemaakt heeft. Het doet dan ook vreemd aan om een beeldje te zien waarop het
merkteken van Jan van Echt, de letters IAN, verscholen in een mantelplooi bij de zoom buiten
het directe zicht werd ingekerfd.De
vraag die onmiddellijk bij mij opkwam was “waarom heeft Van Echt zijn signatuur
op een dergelijke afgelegen plaats gezet”. Schaamde deze fiere beeldensnijder
zich nu voor zijn werkstuk. Ik zou het in zo’n geval dan niet markeren. Maar de
beeldensnijder behoeft zich absoluut niet te schamen over zijn werkstuk in
kwalitatieve zin en in artistieke zin. Er moet dus een andere reden zijn om de
signatuur uit het zicht te plaatsen.
Dus uit de
stijlkenmerken en de plaats van de signatuur stel ik vast dat Van Echt niet de
maker van het beeldje is. Als interessante toegift blijkt bovendien dat de werkelijke
beeldensnijder niet de persoon is die de inscriptie heeft ingekerfd. Hoe ik dat
heb ontdekt laat ik hier buiten beschouwing.
Op het
betreffende beeldje staat ook de inscriptie van Albrecht Dürer. Zeer
waarschijnlijk aangebracht na het inkerven van de inscriptie IAN omdat men de
inscriptie IAN niet had ontdekt. Eerst het logo van Dürer en daarna van Van
Echt is niet logisch. Het logo van Dürer had mogelijk tot doel om de waarde van
het beeldje te doen stijgen. Dat is hier vergeefse moeite want Dürer heeft geen
beelden gemaakt. Bovendien is het misbruik algemeen bekend. Het aantreffen van
een logo van Dürer is reden op zich om argwanend te zijn.
Mijn beperkt
onderzoek naar de datering en de naam van de beeldensnijder van het beeldje heeft
mijn mening omtrent datering en beeldensnijder kunnen bevestigen. Wilm heeft
gelijk met zijn opmerking overstilistische gebreken. Ik zal hier niet ingaan op de feiten die mij tot
mijn conclusies brachten. Het is duidelijk dat het daterings- en het
identificatieprobleem nog niet zijn opgelost.
Mijn dank
gaat uit naar het Bonnefantenmuseum dat mij inspireerde tot het schrijven van dit
artikel en aan alle deskundigen die mij welwillend hebben bijgestaan met hun
expertise.
Persoonlijk kreeg ik steeds meer de drang om een blogitem te
publiceren over hoe het is te leven zonder mobiel of GSM, ik was de afgelopen
jaren reeds met het idee aan het spelen om hierover iets te publiceren.
Het leven zonder een GSM of mobiel |
Echt vrij kan enkel
zonder mobiel.
2021. Op het internet kan ik nergens info of een publicatie vinden over
mensen die helemaal geen mobiel bezitten. Een jaar of 15 geleden nog wel. Ben
ik nu echt één van de laatste personen in de lage landen die helemaal geen
Mobiel of GSM heeft of word er niets online over dit onderwerp gepubliceerd? Ik schrijf er nu over om mijn ervaringen en
gevoelens met mobiele telefonie kenbaar te maken..
( Hou er rekening mee bij het lezen van dit artikel, dat het bezitten van een mobiel een persoonlijke keuze is en geen vingerwijzen is, ik heb respect voor ieder zijn keuze)
Hoe het begon.
Tja, hoe moet ik beginnen, 54 jaar ( 2021) heb een
succesvolle zaak, heb wereldwijd +/- bekendheid in mijn sector. Ik ben op elk
niveau met sociale media bezig, Facebook, Instagram, Twitter.... heb
verschillende blogs en websites en ga dus zeker met de tijd mee. Ik gebruik deze virtuele middelen enkel om
mijn werk te promoten. Toch heb ik nog nooit een mobiel of GSM gehad. Misschien
is dit voor vele mensen onbegrijpelijk of zelfs beangstigend maar voor mij is
het gewoon een dagelijkse realiteit geworden, een realiteit waar ik helemaal
niet meer bij stil sta.
Ik vraag me soms af hoe ik tot nu toe heb kunnen overleven,
in een wereld waar mensen steeds meer online of verplicht bereikbaar moeten
zijn? Als ik nu 30 jaar terug in de tijd ga, best eigenaardig.
Ik weet nog op café, dit moet zo ongeveer in 1995 zijn
geweest, dat sommige van mijn tijdsgenoten een mobiel kregen van hun
gefortuneerde ouders. Deze
"rijkelui kindjes" ( dialect "de dikke nekken") zoals ze
genoemd werden, na wat alcohol verbruik, telefoneerden dan in het café naar de
waard om de bestelling door te geven; , puur om op te scheppen. Jongens wat was
dit lachen, of ze lieten zich op restaurant of café telefoneren om aan te tonen
hoe belangrijk ze waren. Op dat moment diende het ding enkel om op te vallen
De andere 99% op café had geen mobiel, hadden die ook niet
nodig. Een mobiel was gewoon een pakken
geld kostend stuk speelgoed en dan spreek ik nog niet over de kostprijs om een
gesprek te voeren via een mobiel, het was een aderlating.
Op dat moment spraken
mensen gewoon met elkaar op café, maakte duidelijke afspraken, vertelde
grapjes, genoten van het moment, etc.... de afleiding van een mobiel bestond
niet.
Van kwaad naar erger
Na dit commerciële debuut van de GSM/mobiel, hebben
Motorola, Nokia, Ericsson, Samsung.... gouden tijden gekend, op een bepaald
moment was het zelfs hip en trendy om een zo klein mogelijke GSM te bezitten,
je moest ze met drie vingers vasthouden en kon er in op café groots mee
uitpakken, de laatste nieuwe Nokia te bezitten was het gespreksonderwerp. En zo is de groep GSM eigenaren op zeer korte
tijd snel groter geworden, de aankoop ervan en het telefoneren steeds
goedkoper.
Waarschijnlijk zal ik wel op een bepaald moment hebben
gezegd tegen vriend en familie, ik wacht nog even, "even de kat uit de
boom kijken" voordat ik er zelf een koop, "maar ik weet nog niet
welke". Omdat de verschillende types van mobieltjes zo snel na elkaar op
de markt kwamen, heb ik mijn aankoop van het jaar steeds maar uitgesteld, om
toch maar niet de verkeerde of beter gezegd de achterhaalde aankoop te doen.
En door dit afwachten en aftasten is het er gewoon niet meer
van gekomen die belangrijke aankoop, en uiteindelijk was de hype, het hippe
"om een mobiel te hebben" gewoon voorbij en kwam al snel de reflex van velen: je hebt
toch nooit rust met dat ding, overal maar kunnen gebeld worden, maar deden
gewoon verder.
Anno 2021 herhaalt zich dit met de smartphone maar vele malen
versterkt. Wat ik wel merk is dat
steeds meer mensen en vrienden minder met elkaar aan het praten waren, maar
meer SMS berichtjes naar elkaar verstuurde.
Smartphone ( De veegtelefoon)
En toen kwam er de smartphone, eerst een Blackberry en later
de Apple smartphone (+/- 2005) een afleiding met steeds meer toeters en bellen
en pokkeduur. De beginfase marketting was puur om mobiele telefoons te
verkopen, onder het motto "bereikbaarheid" en later marketting onder
het mom van “sociaal communiceren”, om
op deze wijze zo veel mogelijk advertenties te verspreiden.
En 15 jaar later (2021) is ook deze periode "de juiste
keuze maken van smartphone" ook aan me voorbij gegaan, onbegrijpelijk hoe
dit apparaat aan mijn aandacht voorbij gegaan is, waarschijnlijk moet ik
geslapen hebben of was ik zo met mijn ambachtelijke werkzaamheden en echte
belangrijke dingen bezig dat ik gewoonweg niet gemerkt heb hoe dit
"onmisbaar" mobieltje langzamerhand de bovenhand kreeg in onze
samenleving.
Grappig detail eigenlijk is dat het nu (2021) hip en
belangrijk is om een zo groot mogelijke smartphone te bezitten, en liefst nog
custom made. Hoe tijden toch kunnen veranderen, ik sta nog steeds aan de zijlijn; ik kijk, observeer en lach.
Door deze indirecte aanpak heb ik geleerd dat ik mijn leven
niet wil laten leiden door een apparaat dat mij constant stimuleert met
allerhande onderwerpen zoals religie, eten, drinken, denken, kopen, ik moet niet 24/24 bereikbaar zijn en innerlijke rust en de vrijheid in mijn hoofd is
onbetaalbaar, een vrijheid in het nemen van spontane beslissingen zonder de
virtuele manipulatie. Ik beschouw een smartphone zelfs als een obstructie, een
belemmering om zelf beslissingen te nemen of creatief te zijn.
Ik betrap me zelf geregeld op de huis-PC dat ik reeds een
aantal uren naar YouTube filmpjes aan het kijken ben, zappend van het ene naar
het andere “interessante” onderwerp .
En voor dat je het weet is de dag
voorbij. Zo interessant en perfect gebracht zijn sommige van deze onderwerpen,
maar schenkt kijken je ook echte
voldoening? Of hou je er andere gevoelens aan over, de gemiste kansen en
keuzes, misschien wel eerder jaloezie of gevoel van leegte, het gevoel dat je
iets misloopt in het leven.
Sociale media "Brood en spelen"
Sociale media zijn de moderne "brood en spelen"
geworden, een soort van virtuele afleiding zodat de bevolking zich niet meer
bezig houdt met de echte belangrijke zaken, het draait trouwens allemaal om
altijd en overal een goed gevoel te hebben en de sociale media spelen hier een
zeer grote rol.
Social media is voor het grootste deel gewoon
"bagger", vluchtige cultuur, het geven van meningen en reageren op
berichten, energie dat tot niets leidt, mensen die uren, elke dag, week, maand,
jaar(en) hun meningen en frustraties moeten online zetten en deze virtuele
vluchtigheid ook zo nodig moeten delen. Alles onder het motto “vrijheid van
meningsuiting”.
Alles delen met iedereen, het laten zien hoe goed je het wel
hebt om weeral op reis te zijn, met vrienden gaan eten, nieuwe auto, flashy
kledij, enz… en dan maar klagen dat de privacy gestoord is, want op alles wat
gepost wordt moet er bijna verplicht gereageerd worden, ook het verzamelen van
zoveel mogelijk “likes” is voor
velen een sport geworden, een zoektocht
naar dopamine.
Nutteloze onderwerpen die enkel als doel hebben om te
polariseren. Links of rechts, etnisch-culturele-religieuze verschillen of
banale onderwerpen zoals "Max Verstappen" ( Wereldkampioen F1, 2021)
Belg of Nederlander is, iedereen weet toch dat hij Maaseikenaar is ;) , het is allemaal nutteloos roepen en
tieren dat eigenlijk tot niets leidt.
Een bijzonder verslavende bezigheid dit alles, dat eigenlijk
tot niets leidt en een zeer grote groep gebruikers in opvoedkundige zin
verzuimd hebben zich te scholen in verantwoord gebruik en waardigheid in de bloedlijn ver te zoeken is.
Een App voor dit...en een App voor dat...
Zijn er voordelen? Ik weet het niet echt, ik kan er niet over meespreken, maar argumenten zijn er
genoeg van mensen waarmee ik geregeld in contact sta. "Gemakkelijk is het
wel om er één te bezitten” zeggen ze dan, maar is dit het enige argument? De
enkelingen, en ik bedoel echt "die enkele" die nog de traditionele
GSM -mobiel a la Nokia hebben is bijna herleid tot niets, iedereen heeft
tegenwoordig een "gepersonaliseerd comandocentrum".
Natuurlijk met de nodige apps waarvan je verwacht word “die absoluut
nodig te hebben”, apps die je proberen te overtuigen dat ze je het leven
gemakkelijker proberen te maken. En is dit nu wat een smartphone voor dient?
Zoveel mogelijk het persoonlijk denken en beslissingen maken/nemen
vereenvoudigen. Ik zeg altijd, moeilijk gaat ook, wat is er verkeerd met
moeilijk?
Misschien is dit wel
een voordeel. Ik betrap ze wel eens, mensen waarmee ik in gesprek ben,
tijdens het gesprek of vlak erna, het
gespreksonderwerp of details ervan moeten opzoeken op Google.
Ik observeer en het leek me een
voordeel, tot ik dit vertelde aan een iemand met een nuchtere kijk op
de samenleving. Die zei mij dat dit
opzoeken niets met een "smartphone voordeel" te maken heeft, maar
enkel met het gemis aan wijsheid, en
voor kennis over banale onderwerpen die 30 jaar geleden algemene kennis
waren moet men anno 2021 Googelen.
Met andere woorden, met ons onderwijs systeem is ook iets
mis mee. Dat leren omgaan met een smartphone zou een taak voor de scholen
kunnen zijn, maar die slagen er nu al niet in om de kinderen goed te leren
rekenen, correcte taalbeheersing bij te brengen. Is het dan een taak voor de ouders?...........
En de argumenten van smartphone eigenaars blijven maar
komen, het is net dat ze me absoluut willen overtuigen van het nut ervan."wat
als je autopech hebt wat dan".....
Tja, ik die 38
jaar dat ik met een auto rij heb ik nog nooit gebruik gemaakt van een 'praatpaal' die anno 2021 ook reeds verdwenen is uit onze samenleving. Moest dit toch zo zijn,
dan bel ik wel even aan bij een huis of vriendelijke voorbijganger, laat de
pechdienst komen, en het is opgelost.
Vroeger zat je - letterlijk - gewoon met papieren kaarten in
de auto of op de fiets. Of: je vroeg gewoon aan een vreemde de weg.
En doe dit anno 2021 nog steeds, het help om beter inzicht
te krijgen van stad, afstanden, wegennet, borden lezen... leren inschatten en
nadenken. En voor alle zekerheid neem ik mijn TomTom mee, toch even Murphy's
Law incalculeren. ;)
Als je vroeger op vakantie was had amper contact met het
thuisfront. En als je dan al eens kon bellen, dan hoorde je vooral gekraak en
geruis.
Toch geweldig, de vakantie ervaren zoals het of ze is zonder
de noodzakelijke selfies of sociale media om te laten zien hoe goed je het
hebt. Of nog erger nog, je vakantie op een wijze plannen dat nog voor je in het
vliegtuig stapt richting NY je City trip zo programmeert, dat je absoluut
selfies wil met bepaalde gebouwen en hippe plaatsen en te posten op
sociale media.
De sociale druk om toch maar niets te missen op die City trip,
maar de stad op een natuurlijke wijze “ervaren” dat hebben ze niet gedaan.
Blijkbaar was ik “mediageil” midden jaren ‘90
Tussen 1992 en 2000 heb ik geprobeerd de basis te leggen voor de naambekendheid van mijn
zaak, budgetten voor reclame had ik
absoluut niet. En in kranten en magazines staan was één van de manieren om op
te vallen of je ambachtelijk product bekend te maken en heb er bijna 10 jaar
een sport van gemaakt om redactionele reportage te scoren. En dat lukte aardig.
Eigenlijk een hele simpele manier van op te vallen, als ik
bijvoorbeeld op skivakantie in Frankrijk was, kocht ik in de plaatselijke kiosk
een magazine waarvan ik dacht, dat een reportage over mijn werk een meerwaarde
voor het magazine zou kunnen zijn. Terug van vakantie schreef ik ( ja,
schrijven!) een brief inclusief fotomateriaal en reeds gepubliceerde artikels
naar de desbetreffende redactie.
Netjes in een grote briefomslag ging het dan
richting Frankrijk, honderden van deze brieven heb ik geschreven in deze
periode. En geregeld was er dan een hoofdredacteur die mijn verhaal wou
publiceren, er werd een interview afgenomen ...soms een kleine bijdrage en soms
een uitgebreide. Deze publicaties zijn de basis geweest van mijn prille
naambekendheid in de wereld van het houtsnijden.
Met deze publicaties kwamen natuurlijk ook de telefoontjes
en de opdrachten binnen, misschien niet altijd direct, want ik kan me nog goed
herinneren dat er geregeld mensen aan de voordeur stonden met een publicatie in
de hand van een aantal jaren oud. De portfolio werd steeds groter, de
opdrachten belangrijker en dit alles met een
reclamebudget van 0 Bfr. (0 Euro)
Op de jaarlijkse
tentoonstelling in juni op het Technisch Instituut Sint Jansberg te
Maaseik zei me eens (ik meen in 1998) een oud leraar
houtsnijden dat ik "mediageil" was door steeds weer in kranten te staan. Ik wist op dat moment niet hoe ik dit
moest opvatten, was dit goed of slecht, maar op de manier hoe hij het bracht
leek zijn opmerking eerder iets vies. Blijkbaar een gevoelige snaar geraakt
dacht ik.
Ben er zeker van dat diezelfde persoon op dit moment er
weinig probleem mee heeft om foto's van zijn vakantie, nieuwe aankoop van....
of familiefeest te delen met de hele wereld. Dus wie is nu mediageil? Ik, die
dit deed om te "ondernemen" een zoektocht naar opdrachten en
naambekendheid of een gepensioneerde leraar die zich gepasseerd voelt en deze
leegte wil opvullen met dagelijkse shot dopamine moet ervaren.
Uiteindelijk heeft deze "Mediageilheid" midden tot
eind jaren '90 ervoor gezorgd dat op dit moment magazines wereldwijd vragen om
een redactioneel interview te mogen publiceren en vinden dat mijn volharding wat mijn
werkzaamheden betreft, een meerwaarde is voor hun krant of magazine. En nog steeds
gratis ;) .
Internet
Waar dient het huidige internet voor mij persoonlijk dan wel voor? Eigenlijk hetzelfde als de briefomslagen van midden jaren '90, maar nu gaat dit allemaal veel sneller, een connectie maken met eventuele klanten of je bekend maken bij
redacties is voor de zaak een grote meerwaarde.
Het is de perfecte plaats voor het promoten van je
vakmanschap en creativiteit, en bij mij thuis gebeurt deze afleiding enkel en
alleen met de PC thuiscomputer, er komt zelfs geen laptop aan te pas.
Een
laptop kan reeds een storend element zijn in een woning of relatie, er is maar
één plek in het huis waar je op het internet kan om zo de afleiding beperkt te
houden. En zelfs dan betrap ik me zelf geregeld me uren lang op sites te
begeven die niet echt meerwaarde geven aan mijn bestaan.
Norm
Het is opmerkelijk en zelf wat beangstigend dat een mobiel
of zal ik maar zeggen smartphone de norm geworden is, ik stel me af en toe de
vraag waarom moet ik in een restaurant de QR code van een menukaart moet
scannen? Of tickets voor musea, cinema of theater met je smartphone moet
bestellen en betalen? Je verplicht inloggen hier en daar.... en ga zo maar
door. Niet zozeer het hebben van een smartphone maar het moeten actief zijn op
de sociale media is wat de druk oplegt bij de huidige generatie.
En dan die *WhatsApp groepjes, de sociale druk van vrienden,
collega's, familie, school...om in één van deze "praatgroepen"
opgenomen te worden, onnodige discussies en nutteloze gesprekken over nutteloze
onderwerpen, ik heb het zelf meegemaakt met mijn partner, onder lichte druk
van haar collega's heeft ze een smartphone gekocht zodat ze mee
kon doen aan die "belangrijke" gespreken. Je zult maar iets gemist hebben...
* WhatsApp is een mobiele app voor instant messaging
ontwikkeld voor de smartphone. Met een internetverbinding is hiermee te chatten
en kunnen digitale foto's, geluids- en video-opnamen, documenten of
GPS-coördinaten worden doorgestuurd.
De tijd vliegt snel, gebruik hem wel.
Het enigste wat een mens heeft is tijd, en dat zijn velen onder ons vergeten.
Tijd vliegt voorbij en komt nooit meer terug, en die ben je
effectief ook kwijt, dus de tijd die je "verbruikt hebt" om te
reageren of een frustratie te uiten op YouTube, social media en dan nog eens moeten reageren op deze reacties zullen uiteindelijk tot niets leiden,
en verdwijnen in de tijd. Het is gebakken lucht.
Vanaf de zijlijn ervaar ik een hedendaagse samenleving, een
generatie die opgroeit met een smartphone in zijn hand, de keuzestress die ze moeten ondergaan of de stress die ze
ervaren van niet genoeg "likes" en dan spreken we nog niet van negatieve reacties te krijgen op sociale
media berichten, word steeds groter.
En dan spreken we nog niet over wat er allemaal in hun hoofd omgaat als ze hun smartphone vergeten hebben (dat zou al heel uniek zijn), het opladen van de batterij of geen Wifi hebben, bijzonder grappig allemaal. Ik denk dat het een gevoel
moet zijn zoals die van een alcoholist, die je zijn alcohol of de roker zijn sigaretten afneemt.
Conclusie
De innerlijke rust die ik heb is onbetaalbaar, het is net
als een wandeling, die ik dan ook ervaar als een echte wandeling, een moment
van rust en nadenken, hoe ik problemen in het atelier moet
aanpakken. Ik wordt namelijk niet
afgeleid en blijf steeds gefocust met wat ik bezig ben.
Kent u het woord nog? Het woord verveling of de dode
momenten, op restaurant, in de vertrekhal van een luchthaven, aan het bushokje,
in de trein, leunend tegen een muurtje, etc....) Het is een automatisme
geworden voor velen om dit dood moment op te vullen door een smartphone die je stimuleert om mee te doen met de rest
van de maatschappij. Zo een moment
van verveling is goed voor je, studies hebben dit reeds bewezen..
Verveling betekent
niet dat je absoluut niets anders te doen hebt, maar dat alternatieven om bezig te zijn niet erg aantrekkelijk zijn.
Deze dode momenten zetten je aan tot een andere manier van denken en zelfs
creativiteit. Mocht je interesse hebben
over dit moment iets meer te weten, hier een link naar het onderwerp:
En dan nog een laatste tip aan alle Smartphone gebruikers er zit een aan-en uitknop op. Die moet vaker gebruikt
worden of laat hem gewoon thuis liggen.
Hopelijk is de tijd die ik verbruikt
heb met het schrijven en samenstellen van dit onderwerp voor een aantal bloglezers
een leuke en leerrijke bezigheid, ik persoonlijk heb er toch plezier aan beleefd.